Menu Sluiten

Langs de Oostfjorden

De dagen in IJsland worden al snel korter. De winter is in aantocht en snoept iedere dag enkele minuten weg van de dag, en schenkt ze aan de nacht. Als het bewolkt is, of de kans op noorderlicht minimaal liggen we voor onze begrippen vroeg op bed. In het donker zitten we dan al aan het ontbijt, en bij het eerste daglicht zijn we weer op pad.

We willen als eerste naar de tot de verbeelding sprekende Vestrahorn rijden. Bij de afslag naar deze prachtig gelegen bergrug blijft mijn richtingaanwijzer uit, en houd ik het stuur recht. De bewolking hangt zo laag dat het weinig zin heeft hier af te slaan. De plannen die je maakt voor een rondreis in IJsland dienen alleen als richtlijn. Je weet van tevoren dat je niet alles gaat halen. Of je komt op een plek waar het zo mooi is dat je onbewust veel langer blijft dan je had gedacht, of je regent op diezelfde plek weg, en staat al vroeg in de middag bij je volgende accommodatie.

De oostfjorden van IJsland

De Vestrahorn zal voor een andere keer zijn. We rijden de tunnel in, en verlaten daarmee de zuidkust van IJsland en rijden naar de Oostfjorden. Een mooi maar door velen enorm ondergewaardeerd stuk IJsland. Komende vanaf de spectaculaire zuidkust, rijdend op de doorgaande weg valt er niet veel te beleven in dit deel van IJsland. Geen spectaculaire watervallen en geen gletsjers. De meeste reisgidsen gebruiken de Oostfjorden enkel als doorvoer van zuid naar noord. Jammer, want er is veel te zien en te beleven.

Onlangs kreeg ik nog een tip van een mooi stukje IJsland op slechts een paar kilometer voorbij de tunnel waar we zojuist doorheen reden. Als je weet waar je moet kijken is de Skutafoss, de waterval van de tip makkelijk vanaf de hoofdweg te zien. Een paar honderd meter met de auto, en dan nog een paar honderd meter te voet is alles wat nodig is om de waterval aan te kunnen raken.

Als wij er aankomen regent het een beetje. We wachten de ergste regen even af, en beginnen dat aan die laatste drie of vierhonderd meter. Niet zichtbaar vanaf de weg is een door de natuur gevormd afdak waaronder je prima kunt schuilen. Thuis had ik al op de kaart gekeken en plannen gemaakt om de rivier voorbij de waterval nog een stuk stroomopwaarts te volgen. Die plannen moet/wil ik vanwege de regen bijstellen. De waterval op zich is al een traktatie, en verder lopen door het zompige veen is niet erg uitnodigend.

Een nat pak is een kwestie van minuten

Als we teruglopen naar de auto wakkert de wind even aan, en komt de regen plots met bakken uit de hemel. Mijn broek, die waterafstotend maar niet waterdicht is kan al dat water en windgeweld niet aan zodat ik even later voor de eerste keer deze dag, nattigheid voel. Ans is beter tegen dit watergeweld opgewassen. Het hemelwater rolt zo van haar broek af.

In de auto gaat al snel de verwarming naar de hoogste stand, net zoals de stoelverwarming.  Met het langzaam opdrogen van mijn broek komt mijn humeur ook weer in de betere zone. Dat de wolken steeds meer plaats maken voor een stukje blauwe lucht werkt ook mee.

We stoppen bij een plek die ik ooit heb leren kennen als Hlaupgeiri al ben ik er nooit achter gekomen of deze naam wel klopt. Het is één van de plaatsen waar ik graag stop en die hoewel niet spectaculair, voor mij een stukje van de charme van de oost fjordenkust betekend. Een pilaar staand op de grens van eb en vloed en die bij storm of springvloed wordt geteisterd door hevige golfslag.

Tussen eb en vloed

De golven slaan zo nu en dan woest tegen de pilaar en waaieren breed uit over het pekzwarte strand. Als we naar beneden lopen trek ik, wijs geworden van mijn ervaring bij de Skutafoss mijn regenbroek aan. Ik loop even over het strand om “de” positie in te nemen vanwaar ik verwacht “mijn foto” te kunnen maken. Dat is, hoe kan het ook anders iets voorbij de grens van eb en vloed. Ik wacht op de perfecte golf. Die moet dan zowel tegen de pilaar aan slaan, als een mooi wit spoor over het strand trekken. Soms heb ik mijn “perfecte plaatje” bijna gemaakt als blijkt dat mijn statief, tijdens de opname, iets is verzakt in het zwarte zand doordat het water net iets hoger kwam dan ik had verwacht. Mijn concentratie, of beter gezegd fixatie neemt toe. Nauwkeurig observeer ik de golven, tel af tot het moment van impact en druk af als ik denk dat dit het juiste moment is. Door mijn concentratie op de pilaar vergeet ik even dat er ook golven achter mij het strand oprollen. Het is dan ook onvermijdelijk dat ik even later vergeefs probeer weg te rennen van het water dat mij allang in zijn greep heeft. Gretig neemt het water alle open ruimte in mijn schoenen in. Als het water weer terugtrekt naar de zee, of simpelweg wegzakt in het zwarte strand is het kwaad geschiet. Met een klotsend geluid bij iedere stap die ik zet ga ik eigenwijs en koppig terug naar de grens tussen eb en vloed. Een paar natte voeten en schoenen is blijkbaar de prijs die ik moet betalen voor het “perfecte plaatje”.

Onderweg naar “The Middle of Nowhere”

Als ik denk dat het perfecte plaatje is geschoten, en er weer donkere wolken voor de zon schuiven wordt het tijd om terug naar de auto te lopen. Een klein watervalletje dat hier van een steile klif stroomt vormt nog een mooie voorgrond voor de dreigende luchten die nu de hemel domineren.

Onderweg naar onze volgende accommodatie, Ásgeirsstaðir, niet ver van de stad Egilstaðir stoppen we tussen twee buien door nog even bij fossardalur. Een mooie waterval die vanaf de doorgaande weg niet zichtbaar en daardoor weinig populair is. De reizigers moesten eens weten wat hier op slechts een kleine 200 meter van de doorgaande weg ligt.

Nog net voor het donker, komen we aan bij Ásgeirsstaðir, onze bungalow voor de komende twee nachten. Het ligt een paar kilometer ten oosten van Egilstaðir op een plek die je zo zou kunnen omschrijven als “the middle of nowhere”. Het is voor ons een mooie uitvalsbasis voor de wandeling van morgen, waar ik me al een paar weken enorm op verheug…

Onbekend maar niet onbemind

17 Dagen geleden stond ik hier ook. 17 dagen en ik ken het niet terug. Ik sta nu op precies dezelfde plek, maar in een totaal ander landschap. Waar een dun laagje ijs de ijsbergen in hun greep leken te houden, waar de hemel in de maagdelijke witte sneeuw blauw reflecteerde, en de bergtoppen door diezelfde sneeuw van al hun kleuren waren ontdaan.

Het waarschuwingsbord, voor aan de weg, dat aangaf dat het hier om een track voor enkel vierwiel aangedreven auto’s ging leek nu ook logischer. Waar ik de vorige keer nog over een rotsige weg eenvoudig tot aan de gletsjer kon geraken moesten nu diepe geulen met snelstromend water worden getrotseerd. Het water stroomt hier nu eenmaal niet door een geul, maar zoekt steeds opnieuw de makkelijkste weg naar de zee. Soms is die makkelijkste weg, “de” weg, en zo nu en dan steekt het water de weg over waardoor diepe geulen ontstaan.

Het eenvoudige autoritje van de vorige keer, was nu een klein avontuur. We parkeren de auto en nemen dan de laatste heuvel te voet. Vol verwachting klimmen we naar boven. Met het uitzicht van 17 dagen geleden in mijn gedachten is de aankomst bij de top van de heuvel een tegenvaller. Ik had veel ijsbergen, bijna op grijpafstand verwacht, maar het meer is vrijwel leeg.

Een verschil in verwachtingen

Mijn “Oooh” van teleurstelling wordt overstemd door de “Oooh” van fascinatie die Ans uitstoot. Zo zie je maar dat fascinatie of teleurstelling ook een gevolg is van je verwachtingspatroon. 

Alle ijsbergen zijn door de wind tot achter tegen de gletsjer aan geblazen. Diezelfde wind zorgt voor een rimpelig wateroppervlak dat ervan bovenaf wat bruinig uitziet. Als ik een beetje ben bijgekomen van mijn teleurstelling, en Ans lang genoeg heeft genoten van het uitzicht lopen we de heuvel af naar de rand van het meer.

Tijdens onze wandeling is de zon sterker doorgekomen, is de wind gaan liggen en is het rimpelige water langzaam tot rust aan het komen. Langzaam worden spiegelingen van de bergen en de gletsjer strakker in het water weergegeven. Het geeft een constante stroom van Kodak momentjes die steeds mooier worden.

Ik kan de verleiding niet weerstaan om even een stukje het water in te lopen om op die manier de illusie te wekken dat ik kan lopen op het water.

Als de wind na een tijdje de spiegeling aan diggelen blaast wordt het tijd voor ons om weer verder te gaan. Er zijn nog meer gletsjertongen die vandaag gezien moeten worden. Vorige keer zag ik een bordje met een mooie wandelroute bij de Heinabergsjökull. Een wandeling van ongeveer 14 kilometer die voor het restant van deze dag waarschijnlijk te lang is, maar we gaan voor de wandeling, niet voor het einddoel.

Het terugrijden naar de hoofdweg is nog wat lastiger. Ik heb het idee dat het water enigszins is gestegen. Dat zou op zich niet zo’n probleem zijn, maar we rijden recht tegen de laagstaande zon in. Het zicht is daardoor erg beperkt zodat we moeten gokken waar de weg is gebleven.

Voorzichtigheid is geboden…

Eenmaal terug op de hoofdweg rijden we verder naar het oosten waar enkele kilometers verderop de afslag naar de Heinabergsjökull ligt. We rijden nog maar een paar minuten op de afslag als we in de verte een kudde dieren zien lopen. Voor schapen zijn ze te groot, voor paarden te klein en voor koeien te elegant. Het kan niet anders dan dat we een kudde rendieren in het vizier hebben. We stoppen de auto en wisselen van stoel. Ans neemt het stuur in haar handen, en ik mijn camera met telelens. Langzaam naderen we de kudde die ons al snel in de gaten heeft maar nog even een afwachtende houding inneemt. Vluchten of eten, het is een lastige keuze. Voorzichtig manoeuvreren we dichterbij, en hoewel de afstand steeds te groot blijft voor een “prachtige” foto ben ik blij met het resultaat, en het met eigen ogen mogen zien van deze mooie dieren.

Een kleine teleurstelling volgt bij het doel van deze rit, de Heinabergsjökull. Dat ligt niet aan het aanzicht van de gletsjer, want die is prachtig. Alleen de brug waar we overheen moeten om aan de wandeling te kunnen beginnen is verdwenen. Er is voor ons geen mogelijkheid om aan de overkant te komen. Er zit niets anders op dan een alternatieve maar veel kortere wandeling te maken.

Een mooie, maar minder bekende waterval

Op onze weg naar deze gletsjertong zagen we een bordje met daarop “Bólstaðafoss “. Foss betekend “waterval”, en laat ik nu dol zijn op watervallen. We hebben de waterval al snel in het vizier, en kunnen onze auto op slechts een paar honderd meter van dit natuurverschijnsel parkeren. Het laatste stukje gaat te voet. We zijn erg blij met deze voor ons “nieuwe” waterval die mooi ingeklemd ligt in een kleurrijke kloof. In een paar trappen komt een smalle maar sterke waterstroom naar beneden. Het is even zoeken naar het “perfecte” standpunt, al heeft dat er misschien ook mee te maken dat ik niet kan kiezen. Het is zeker een plek die ik ga onthouden voor toekomstige IJsland reizen.

De zon staat nu erg laag, maar voordat we teruggaan naar ons hotel willen we nog even naar de Skálafellsjökull. Een gletsjertong waar je met een 4×4 auto redelijk in de buurt kunt komen, en een mooi uitzicht hebt over de tong. Het is onze tweede poging, de vorige eindigde in dichte mist. Dit keer is het redelijk helder.

Soms is het beter ieder risico te vermijden 

De conditie van de weg is redelijk, al zou ik iedereen met een twee wiel aangedreven auto ten strengste afraden om op deze weg te gaan rijden. De vele kuilen in de weg, erg modderige stukken, steile hellingen en haarspeldbochten vereisen veel concentratie, en een betrouwbare sterke auto. De route gaat op plekken erg steil en ik besluit al snel dat hoe mooi het uitzicht ook gaat zijn, ik voor het donker van deze weg af wil zijn. Dat geeft ons nog ongeveer anderhalf uur.

Hoe hoger we komen hoe slechter de weg wordt, en hoe meer sneeuw zich op de weg heeft verzameld. Zo nu en dan stoppen we even om van het uitzicht dat hier op zijn minst spectaculair te noemen is te genieten. We zijn nog ongeveer twee kilometer van het eindpunt als we op een steile en gladde afdaling aankomen. Een paar honderd meter verder zien we hoe een dikke pak wolken over de weg trekt. Wetende dat daar weinig tot geen uitzicht meer zal zijn, wetende dat we hier met zijn tweeën zijn en de kans klein is dat hier vandaag nog meer mensen heen rijden nemen we de enige en verstandigste beslissing die we kunnen nemen. We keren om.

Natuurlijk rijden we de weg niet in een keer helemaal af. We stoppen nog op verschillende plaatsen om uit te stappen en om ons heen te kijken. Een klein ijzig meertje met mooie reflecties trekt mijn aandacht en hoewel ik er nog lang zou willen blijven bedenk ik me; “Voor het donker de berg af”

naar Schateiland

Het weer in IJsland is nog een stuk wisselvalliger dan het weer in Nederland. Misschien is de term wispelturiger zelfs beter. De ene dag is er geen zuchtje wind en sta je in dichte mist, de andere dag is het helder maar waai je zowat uit je broek. Er zijn in IJsland eigenlijk te veel factoren die invloed kunnen hebben op het weer. Natuurlijk heb je hier ook de hoge en lagedrukgebieden, maar daarnaast heb je ook nog de koude en de warme golfstroom, bergen en gigantische gletsjers, die zo groot zijn dat ze een eigen klimaatsysteem hebben.

We staan bij het Jökulsárlon, en het enige dat we kunnen zien zijn de ijsbergen die dicht bij de brug voorbij komen drijven. De rest van de bergen is door de mist opgeslokt. Het strand, waar ik een paar dagen terug de blauwe ijsbergen tegen een roodkleurende lucht kon fotograferen, heeft vandaag al zijn kleur verloren. Het ijs weet nog enigszins een blauw tintje naar buiten te persen, het strand is zwart, het water wit en tussen deze nuances zie je het grijs van de lucht.

Een zen momentje

Toch vind ik dit geen verloren dagen. Op deze dagen is de lucht frisser, zijn de geluiden warmer en lijkt de wereld in een wat rustiger tempo te draaien. Op dagen als deze heb ik genoeg aan mijn camera, een verdwaald stuk ijs en een beetje golfslag. Ik zou hier wel de hele dag kunnen blijven zitten en zien hoe eb wordt verzwolgen door vloed, hoe het water op het strand geworpen wordt en weer terugvloeit naar de oceaan.

Zou kunnen, is niet hetzelfde als doen. Aan de ene kant zit in mij de ultieme rust, aan de andere kant een nieuwsgierige man die meer wil zien. Een stukje richting Höfn ligt de Fláajökull, een gletsjertong waar ik ondanks mijn vele bezoeken aan de zuidkust nog niet eerder was. Aan het einde van de weg is een klein parkeerplaatsje. We zetten de auto met de neus richting de gletsjer en kijken tussen de op en neer zwiepende ruitenwissers naar de gletsjertong die bij ander weer beslist een mooie wandeling had kunnen uitlokken.

Naar de ijsgrot

De volgende dag ziet alles er heel anders uit. De lucht is helder, het zicht perfect, de temperatuur een stuk lager, de wind een stuk harder. Vandaag ga ik naar een van de ijsgrotten aan de zuidkant van de Vatnajökull. De waarschuwingsborden langs de weg, gaven een windsnelheid van 18 meter per seconde aan. Bij ons beter bekend als windkracht 8, of beter gezegd 8 Beaufort. Het is de grenswaarde waarbij de excursie nog net door kan gaan.

De excursie start vanuit een superjeep met een behoorlijke bodemvrijheid en enorme banden. Alles vanaf een maatje kleiner zou de route ook niet kunnen volbrengen. De jeeptrack waarover we rijden zit vol met diepe kuilen en ligt vol met grote rotsen. Onze gids, Reynir, rijdt behendig met de jeep over het slechte pad. De laatste drie kilometer is het zelfs voor de jeep niet meer mogelijk om verder te gaan en mogen we gaan lopen.

Afzien wordt beloond

Nadat we de eerste kilometer over zand en steen hebben gewandeld worden de crampons onder de schoenen bevestigd en betreden we het ijs. De crampons zorgen voor een stevige grip op het ijs, maar comfortabel is anders. De eerste paar honderd meter lukt het nog wel, daarna lijkt het alsof je loopt op een paar plankjes die met touwtjes aan je voeten zijn vastgesnoerd.

De winterjas, handschoenen, das, muts, het zijn geen overbodige items. De wind raast over de gletsjer en zo nu en dan moet je je echt schrap zetten om te zorgen dat de wind de benen niet onder je heupen vandaan blaast. Na een klein uurtje wandelen staan we in de ijsgrot, beschut voor de wind. Iedereen gaat op zoek naar de mooiste plekjes, de leukste doorkijkjes en de meest grillige vormen die hier in het 1000 jaar oude ijs door weersinvloeden van de laatste jaren door de natuur zijn gecreëerd.

 

 

 

De verborgen vallei

Deze ochtend spring ik zowat uit mijn bed. Mijn ontbijt gooi ik het liefst zo snel mogelijk naar binnen. Ik wil op pad. Op pad naar “de verborgen vallei”. “Verborgen” is misschien wat overdreven, en je hoeft ook geen “Indiana Jones” te heten om de vallei te vinden, maar je vindt aan de hoofdweg geen bordje met daarop “Verborgen Vallei 3 km”. De weg naar de vallei is van het type dat lijkt op te gaan in het landschap. Een bijna anonieme weg waar je zo aan voorbij rijdt, behalve als je weet wat je aan het eind van de weg vindt.

Ik moet ook even turen voor ik de juiste afslag vind, en als ik op de weg rijd, kijk ik veelvuldig in mijn spiegels om te zien of ik niet word gevolgd. Dat klinkt paranoia, maar er is echt een reële kans dat een automobilist geen idee heeft waar ik heen rijd, maar ik rijd ergens heen, dus er is vast iets te zien. En geloof me, dat is me in het verleden herhaaldelijk overkomen. Al sluit ik dan maar even niet uit dat ik misschien toch enigszins paranoia ben.

Aan het einde van de weg vinden we een plek waar we de auto kwijt kunnen. Het is wel een tegenvaller, want er staat al een auto. Iemand was mij voor en heeft ook de verborgen vallei ontdekt. De tegenvaller wordt meteen gecompenseerd door een meevaller. Twee mensen komen ons tegemoet, stappen in de auto en rijden weg.

Omgooien, aantrekken of aandoen

De rugzakken staan al vertrek klaar in de auto. Het is een kwestie van omgooien/ aantrekken/ aandoen of hoe je dat ook noemt als je een rugzak op de daarvoor bestemde plek bevestigd. De hemel is blauw met hier en daar een wit wolkje. Goeie omstandigheden voor een “nieuwe” ontdekking.

Het uitzicht wordt vanaf het eerste moment gedomineerd door de 1442 meter hoge besneeuwde bergtop Drangaklettur. Het uitzicht wordt na het nemen van iedere volgende heuvel, na iedere bocht, bij iedere stap interessanter. Het is dan ook bijna onmogelijk om de camera tussen opnames door weg te leggen. De herfstkleuren in de lage begroeiing maken het er ook niet makkelijker op.

Na een te korte wandeling staan we oog in oog met de Múlagljufur. De waterval Handgandifoss springt meteen in het oog. De smalle maar bijna 120 meter hoge waterval is dan ook bijna niet te missen. In de verte zien we ook de ongeveer 50 meter hoge Múlafoss. Minder indrukwekkend, maar wel recht onder een hagelwit besneeuwde bergtop. Voor de fotograaf komt hier wel een enorme uitdaging. Ongeveer 60% van de kloof ligt in de schaduw, de rest in de zon. Soms is een beetje bewolking eigenlijk beter.  

We wandelen nog een stuk verder. Een klein stuk van het pad gaat over een erg smalle kam. Zowel links als rechts kijk je ver in de diepte. Wat extra concentratie kan hier geen kwaad. Eenmaal dit stuk gepasseerd, is het zoeken naar een weg omhoog. Een pad is hier niet, maar wel het verlangen naar een nog mooier uitzicht. We stappen verder over kleine beekjes en de lage begroeiing. Langzaam wijkt die begroeiing steeds verder uiteen om plaats te maken voor los gesteente. Niet veel verder wandelen we enkel nog over het losse gesteente waar hier en daar een dapper plantje nog probeert te overleven.

Nog één klim, en dan het uitzicht

Nog slechts een kleine maar steile klim ligt voor ons voor het ultieme uitzicht. Maar eenmaal de klim bedwongen kijken we uit over een van de mooiste landschappen van Zuid IJsland. Een uitzicht over een paar van de mooiste uitlopers van de grootste gletsjer van Europa. Ook kijken we van hieruit over de drie meren: Fjallsárlón, Breiðarlón en het Jökulsárlón. Zo dicht bij, en tegelijkertijd zo ver weg.

Een interessante wolkenpartij trekt langzaam over ons uitzicht. Ik vind het een prachtig gezicht en begin de optrekkende bewolking vast te leggen met mijn camera met een extra lange sluitertijd om zo wat meer dynamiek in de voorbij drijvende wolken te krijgen. Ans loopt alvast een stukje naar beneden. Tijdens het maken van slechts twee lange sluitertijd opname lijkt de tijd en de wereld voor mij stil te staan. Als ik naar beneden kijk zie ik Ans druk gebaren. Door de wind en de afstand kan ik haar niet verstaan, maar ik zie wat ze bedoeld. Ze wil alvast een stukje naar beneden lopen. Ik gebaar dat ik dat oke vind en wil verder gaan met mijn foto‘s. Dan zie ik dat Ans naar de wolken wijst, en dan zie ik ook waar de haast om naar beneden te gaan vandaan komt.

Vluchten voor het weer

De wolken komen nu wel heel erg snel, maar worden ook heel snel donker. Vlug pak ik mijn camera in, hang mijn statief aan de rugzak, maar nog voordat ik een stap kan verzetten sta ik in een flinke sneeuwbui. Ik haast me ook een stuk naar beneden waar ik iets minder dicht aan de rand van een redelijk diepe kloof sta. Al snel ben ik weer bij Ans, en haasten we ons samen naar beneden.

Zo snel als de bui op kwam zetten, zo snel is hij weer over. De zon komt weer terug en begroet ons met een mooie regenboog. We wandelen rustig terug naar beneden. In de verte zien we veel auto‘s over de hoofdweg rijden, waarschijnlijk zijn de inzittenden onderweg naar een van de ijsbergenmeren, onwetend van het mooie stukje natuur waar ze aan voorbij rijden.

Onderweg naar onze volgende overnachtingsplaats rijden we ook nog even naar het Fjallsárlón met zijn imposante gletsjer. Vanuit de sereniteit die we zojuist bij de Múlagljufur hebben ervaren, komen we in de hectiek van deze toeristentrekker. Net voor ons is een oversized bus gestopt met daarin veel meer mensen dan je in eerste instantie voor mogelijk zou houden. De overgang is groot. Een grote colonne van druk pratende mensen gaat ons voor. Ans en ik kijken elkaar lachend en veel begrijpend aan. We blijven niet erg lang, en rijden weer verder.

We sluiten deze dag af bij het zwarte strand bij Jökulsárlón en genieten van het spel tussen ijsbergen en golven.

 

 

De Sirenen zingen…

Een gecoördineerde actie samen met al mijn zintuigen. Alsof mijn handen en voeten een eigen wil hebben. In een korte tijd glijden mijn ogen over de spiegels, laat mijn rechtervoet het gaspedaal los terwijl mijn linkerhand het hendeltje links van het stuur omhoog duwt. Even later rijd ik de laatste zes kilometer over weg 215 in Zuid-IJsland, recht naar het strand Reynisfjara.

Het diep zwarte strand, beroemd om zijn basaltkolommen en rotspunten Reynisdrangar, werd in 1991 door National Geographic nog opgenomen in de top 10 van de mooiste, niet tropische stranden van de wereld.

De zon, maan en sterren, getuigen van de eeuwigheid

Diepzwarte voetsporen, afdrukken in het zand, volgen mij naar de plaats op het strand waar rotsen en golven een eeuwigdurende strijd om het bestaan voeren. Waar het in een mensenleven lijkt, alsof de rotsen dapper stand houden, weten zon, maan en sterren, “de” getuigen van de eeuwigheid wel beter. Onder het geweld van de voortdurende golven, op hun beurt geholpen door de wind zal uiteindelijk de grootste rots zijn vermalen tot zand. Hetzelfde zand waarin mijn voetsporen duidelijk zichtbaar zijn tot de volgende fase van eb en vloed.

Daar waar mijn voetsporen ophouden sta ik stil. Het zwarte zand dat voor mij ligt, is onaangeroerd sinds de laatste golven stuksloegen in de branding en het koude water als een smetteloos witte deken over het gitzwarte strand voortstuwde . Hoe lang zit ik hier? Waarom ben ik “weer” hier? Ik heb geen idee. Ik kijk, ik wacht en geniet van iedere golf die dan weer subtiel, dan weer met volle kracht stukslaat op de weerloze rotsen liggend in de branding. Ik geniet van de grotere golven, ver weg in de oceaan die een aanval aandurven op een van de tot 60 meter hoge staken, Skessudrangar, Landdrangar of Langhamrar. Versteende trollen volgens de IJslandse volksverhalen, maar in werkelijkheid de overblijfselen van vulkanische activiteit uit een ver verleden.

Ik moet hier zijn. Ik heb geen keuze als mijn Sirenen zingen.

De canyon van de Skoga

Over een paar dagen heb ik een afspraak staan bij Jökulsárlón. Weliswaar geen bevestigde afspraak, maar voldoende reden om langs de zuidkust, IJsland verder in te rijden. Langs de zuidkust is genoeg te zien en te doen, maar we gaan voor kwaliteit, en niet voor kwantiteit.

De parkeerplaats bij Skogar is goed gevuld, maar we vinden nog een plekje. We bereiden ons voor op een stevige wandeling. De weersvoorspellingen zijn niet super, dus regen- en warme kleding moet mee, net zoals voldoende calorieën en water.

De generatiekloof

We lopen in de richting van de Skogafoss, de waterval die het plaatsje Skogar beroemd heeft gemaakt. Nog voordat we halverwege de weg naar de waterval hebben afgelegd nemen we toch maar de afslag naar de trap die naar boven toe leidt. Beneden is het wat mij betreft te druk, al zou je je hier best lang kunnen vermaken met het kijken naar de mensen. Vooral het poseren voor “de” foto neemt tegenwoordig absurde vormen van kopieergedrag aan. Er zijn een klein aantal poses met slechts kleine variaties, maar op veel verschillende plekken zie je dezelfde poses. Ook de knuffels, Playmobilpoppetjes of andere snuisterijen krijgen op de foto’s tegenwoordig een prominente plek. Ach, het zal de generatiekloof wel zijn, want ik begrijp het allemaal niet meer zo goed.

Wij beginnen aan de ruim 400 treden naar boven waar je kunt kiezen tussen een uitzicht platform, of een wandeling stroomopwaarts langs de rivier. Terwijl ik steeds meer traptreden achter mij laat denk ik terug aan mijn eerste wandeling naar boven. Een trap was er toen niet. Er was iets wat het meeste weg had van een schapenpaadje, wat je ook wel een kuitenbijtertje kon noemen. Wat moest ik vaak even wachten om mijn kuiten niet in vuur en vlam te zetten. En wat was het leuk om eenmaal boven te weten dat je de prestatie niet voor niets had geleverd.

IJsland in al zijn pracht

Als we boven aankomen draaien we nog voor het uitkijkplatform het pad dat parallel met de rivier loopt in. We hoeven niet eens heel ver te lopen om het gevoel van “vroeger” weer terug te krijgen. De mensenmassa blijft achter. Slechts een handjevol mensen, waarvan je aan de rugzakken of het ontbreken daarvan kunt zien dat ze niet ver zullen wandelen begeleid ons nog in de eerste 500 meter, daarna wordt het stiller en stiller. Het IJsland gevoel komt terug.

Nog even kijken we om naar de mensenmassa, druk bezig met de poses waaruit thuis zal moeten blijken hoeveel plezier ze hebben gehad. Het toppunt van plezier is volgens mij nog steeds de “kijk ik hang in de lucht” pose. Die gaat meestal niet in een keer goed, en moet verschillende keren over. Zo zie je maar weer, je hoeft niet ver te wandelen op IJsland om je conditie te verbeteren. Poseren is ook topsport. Ik kijk nog een keer om, en zie dan nog een nieuwe pose. Een jongen die de handstand kent wordt op de camera voor de eeuwigheid vastgelegd.

Een canyon vol schoonheid

Wij lopen nog een stukje verder, en de geluiden achter ons verstommen, en de mensen die we nog zien zijn enkel mensen in de verte. We zijn (bijna) alleen met de vele fotogenieke plaatjes die de rivier Skoga te bieden heeft.

Weg van de massa beginnen mijn zintuigen weer volop te reageren op de omgeving. Ik ruik de herfst, proef de nevel, opgestuwd door de woeste watervallen in de rivier Skoga, zie het natuurgeweld van het wassende water, herontdek de schoonheid in de diepe kleuren van het najaar.

We lopen verder en verder langs de rivier waar het water dan weer diep in een kloof onder ons weg stroomt, en waar we even later weer oog in oog mee komen te staan. Net als we gewend zijn dat de wind in de oren ruist valt de wind weg en volgt een oorverdovende stilte. Als we het te koud krijgen en met de winter accessoires onze kleding aanvullen gaat de zon weer schijnen waardoor de accessoires al snel weer in de rugzak verdwijnen. Zonder aankondiging, en zelfs zonder wolken recht boven ons staan we plotsklaps toch weer in een regenbui.

Door alle schoonheid van de kloof maken we niet echt veel kilometers. De passie van de fotograaf zorgt voor een stevige rem op de af te leggen afstand. Als de lucht dan echt dicht begint te trekken vinden we het beide tijd om terug te keren. Een flinke hagelbui bevestigd de juistheid van onze zojuist gemaakte keuze. Zo nu en dan weten enkele zonnestralen door het wolkendek te breken. Hagel en regen kunnen ons zo niet deren. Onze zintuigen weten ons ervan te overtuigen dat we druk bezig zijn te genieten.

 

 

Gjaín, op bezoek in een sprookje van Grimm

Gjaín, fonetisch geschreven lijkt het wat op Kjouwin, maar dan met een zachte K. Gjaín is nergens groot in. Het heeft een aantal basaltconstructies, een aantal ruige rotsen, kromgegroeide berkenboompjes, een meertje, een riviertje en wat kleine watervalletjes. De manier waarop deze elementen zijn samengevoegd, geven je echter het idee in een groot sprookje te wandelen.

De stormen van de afgelopen weken, hebben al genadeloos afgerekend met de afgestorven blaadjes van de kromgegroeide berkenboompjes. Lager in het landschap, stromen de kleine watervallen tussen weelderig groen mos, en bruine grashalmen. Tussen de kale kromme takken zou ieder moment een heks, een trol of een boze fee tevoorschijn kunnen springen, en een vloek over je uit kunnen spreken. Beneden bij de waterval is het domein van Tinkerbell, sneeuwwitje, en wie weet een paar van de zeven dwergen.

Een (kort) moment van bezinning

Het kan ook bijna niet anders dan dat je in deze omgeving tot rust en bezinning komt. Er is één punt waar ik bijna altijd als ik hier kom, als eerste naar toe loop. De watervalletjes hier vormen tesamen zo´n mooi decor dat ik qua fotograferen altijd wat gretig wordt.

Ik heb net mijn camera opgesteld, het licht gemeten, mijn “droomlandschapsfilter” op de camera geïnstalleerd als aan de overkant van de rivier plots een fotograaf aankomt, en zijn statief precies in “mijn” foto opstelt. Even verdwijnt mijn moment van rust en bezinning, en vervloek ik de rode jas aan de overkant.

Ik richt me even op een paar andere elementen in het landschap, en ben opgelucht als ik zie dat de rode jas uit het zicht verdwijnt. Tegelijkertijd met zijn verdwijnen, arriveren twee nieuwe fotografen. Snel schiet ik mijn “beelden”, maar zie ook dat deze twee heren iets minder lef hebben en zich niet wagen op de natte gladde ondergrond. Ik krijg en neem de tijd en ruimte voor het maken van mijn shots.

Soms ben ik snel tevreden

Na deze shots ga ik op zoek naar de gemiste kansen van mijn vorige bezoeken. Er is altijd meer te zien in een landschap dan je op het eerste gezicht zou zeggen. Het verschil tussen kijken en zien. Als fotograaf ben ik altijd bezig met kijken en proberen te zien wat anderen hebben gemist. Als het mij dan lukt om dit zien, om te zetten in een mooie plaat, heb ik voldoende aan één goede foto om met een brede lach op mijn gezicht de nacht in te gaan, op weg naar een volgende dag.

 

 

 

Een onbekend stukje kust

Een tip die we kregen van onze gastheer, Frans in Borgarnes is de kust bij Melasveit. Wie heeft daar ooit van gehoord? Ik kwam regelmatig langs de afslag als ik van Akranes naar Borgarnes reed, maar nam nog nooit de moeite om de afslag te nemen.

Melasveit is dan ook niet meer dan een verzameling boerderijen. Dat de kust hier bijzonder is weten volgens mij alleen de IJslanders. De kust wordt wel beschreven in een van de IJslandse wandelgidsen, maar is zover ik weet nooit vertaald.

“Ga wel bij laag water”, zij Frans, anders kom je niet voorbij de bocht.

Eb

Het is dan ook laag tij als we de afslag naar Melasveit nemen. Op de gok nemen we de afslag naar een van de boerderijen om na te vragen vanwaar we het beste kunnen vertrekken. Als de deur open gaat stormen meteen twee honden naar buiten. De jonge dame die de deur opende legt ons uit waar we heen moeten gaan, en drukt ons op het hart om niet met de auto op het strand te gaan. Nu was dat ook niet de bedoeling, en kunnen we zonder meer haar advies over nemen. We mogen de auto op hun erf parkeren, wat wel erg makkelijk is, want het enige alternatief om de auto kwijt te raken is op de smalle zandweg die ons naar Melasveit voerde.

We krijgen een hondje

Als we beginnen te lopen komt een van de honden ons achterna. Het baasje roept vanuit de deuropening, maar de hond heeft geen oog of oor voor het baasje. Wij zijn veel interessanter voor het beestje. Het baasje roept ons nog na of we het goed vinden als de hond met ons mee naar het strand loopt, en wij zeggen: “Oke, no problem”… We hebben een hond.

Al snel lopen we op een pekzwart strand waar veel rotsen in de branding liggen. Een mooi onderwerp voor enkele foto’s. Als we nog een stukje verder lopen, zien we wat de kust hier zo bijzonder maakt. Kliffen van 10 tot 15 meter hoog, met veel verschillende kleuren rotsen en zand, kleine grotjes, en zo te zien hele stukken wand die nog niet zo gek lang geleden naar beneden zijn gekomen.

De zwarte hond, die later Loppe blijkt te heten vanwege een wit voetje loopt trouw met ons mee, of soms ver voor ons uit. Maar hij laat ons niet uit het oog. Als wij te langzaam lopen komt hij weer even naar ons met zo’n blik van schiet nu toch eens op.

Wij blijven echter ons eigen tempo lopen. De omgeving in combinatie met dreigende luchten vraagt om veel aandacht van “de fotograaf”. Het valt niet altijd mee om alles in één beeld te vangen. De contrasten zijn vaak te hoog, en ik moet keuzes maken hoe ik de kust zo mooi mogelijk in beeld breng. De rood/oranje kleuren in de wand zijn prachtig, maar moeilijk in een bijzondere compositie vast te leggen.

 

Tevergeefs proberen droog te blijven

We blijven te lang op het strand rondlopen en willen alles in ons opnemen. Dan valt het mij op dat een van de rotsen die net op het strand lag, nu bijna onder water is verdwenen. Hele stukken waar we straks nog wandelden zijn plots verdwenen en hebben plaats gemaakt voor water. De vloed komt op, en wij hebben nog maar beperkte tijd om weer droog voorbij de bocht te komen. We versnellen onze pas en komen zo droog voorbij de bocht, tenminste we zouden droog voorbij de bocht zijn gekomen als het ondertussen niet keihard was gaan regenen.

Loppe had er voor kunnen kiezen om hard naar huis te lopen en zich bij de kachel op te warmen, maar hij kiest voor ons gezelschap. Bij de boerderij nemen we afscheid van Loppe, en rijden we terug naar Borgarnes.

 

Een wraakwandeling

We hebben er sinds 2011 op moeten wachten. We waren toen bijna bij de top toen regen en wind ons terug naar beneden wisten te jagen. Het weer door het raam, ziet er anders uit dan het weer op de internetsite van de IJslandse weersdienst. De weersdienst tekent een vrolijk lachend zonnetje met in de benedenhoek een klein vriendelijk wolkje. Verderop in de bergen waar de waterval op ons wacht zien we enkel donkergrijze wolken die vooral veel regen beloven.

Het eerste uur zitten we nog in de auto, en in die tijd kan het weer totaal anders omgeslagen zijn. We vertrouwen op het vriendelijk lachende internetzonnetje en rijden het Hvalfjörður in, op weg naar de hoogste waterval van IJsland, de Glymur. En dit keer laten we ons niet naar beneden jagen.

We parkeren de auto, en omdat we nog genoeg tijd hebben, en onze kleding moeten afstemmen op de te verwachten omstandigheden, vermaken we ons met de aankomende en vertrekkende gasten. Aan de kleding kun je goed zien hoe de mensen zijn voorbereid op hun IJslandreis.

Weten ze wel waar ze zijn

Het vriendelijke zonnetje heeft vandaag gezelschap van een sterke wind. Verbaasd kijken we naar de twee als laatst aangekomen wandelaars. Terwijl wij bijna klaar zijn om te vertrekken, gewapend met een winddicht jack, handschoenen, mutsen, dassen, regenkleding en reserve T-shirts, beginnen zij de wandeling gekleed in een bloes en een spijkerbroek. Het ensemble wordt gecomplementeerd door een paar, te witte, canvas lijkende schoentjes. Met de handen diep in de zakken, en de nek zover hij kan ingetrokken, beginnen zij aan de wandeling.

Nog voordat de witte schoentjes de kans krijgen contact te maken met de eerste plassen op het wandelpad zitten de twee heren weer in hun auto en blazen ze de aftocht.

Wraak voor 2011

Wij beginnen aan de wandeling en stappen al snel van steen naar steen om onze schoenen zo lang mogelijk enigszins droog te houden. We staan al snel aan een tweedeling in de weg. Een bordje wijst de route naar Glymur aan via de oostzijde van de rivier. De brug waarmee je die rivier moet oversteken bestaat uit een boomstam en een touw. Het is voldoende om droog aan de overkant van de rivier te komen, maar ik weet dat die stam in oktober wordt verwijderd om ongelukken te voorkomen. Dat is nu ook het geval.

Wij lopen naar boven langs het pad aan de westzijde. Pad is een groot woord, en als je even niet oplet volg je al snel het verkeerde spoor, of stoot je op bordjes dat de route hier is afgesloten. Even goed rondkijken, en je komt vanzelf weer in de goede richting naar de top van de Glymur. Het pad leidt ons door een bos van kleine maar dappere berkenboompjes met hun witte kronkelende takken. De ene keer stap je van steen naar steen, de andere keer glibber je omhoog over een pad, dat ook wel eens een beekje zou kunnen zijn.

Te koud of te warm kleden

Hoe hoger we komen hoe harder de wind probeert ons van ons plan te weerhouden. Niet alleen wordt de wind harder, maar hij wordt ook kouder. Er gaan steeds meer laagjes kleding aan, net zolang totdat de met kleding gevulde rugzak vrijwel leeg is.

Al die laagjes hebben een nadeel, het zweet wordt niet meer goed afgevoerd, met als gevolg dat mijn T-shirt zowat uitgewrongen kan worden. Geen probleem, want hiervoor heb ik natuurlijk een extra T-shirt meegenomen. In de snoeiharde en ijskoude wind gaan alle laagjes even uit, en sta ik even in ontbloot bovenlijf te vernikkelen van de koude. Het aantrekken van het droge T-shirt voelt als het omslaan van een warm deken. Een deken dat warmer wordt zodra mijn tweede T-shirt, vest en jas ook weer op hun plek zitten.

Vanaf hier is de wandeling redelijk vlak. De kans dat mijn nieuwe droge laagjes hier ook weer nat worden is daarmee een stuk onwaarschijnlijker.

The beauty or the beast

Niet veel later hebben we een mooi zicht op de Glymur. Het witte schuimende water waaiert in vele slierten mooi uit over de rotsen. Op de achtergrond zien we nog net een wit besneeuwde bergtop, die op zijn beurt wordt geflankeerd door witte schapenwolkjes.

Vanaf de westzijde is het 196 meter hoge verval niet te zien. Daarvoor moet je echt aan de oostzijde starten, of de rivier doorwaden. Kniediep bij winterse temperaturen door een gletsjerrivier waden is niet het eerste wat in mijn gedachten opkomt. Bovendien vind ik deze zijde van de waterval vele malen mooier. En als ik dan moet kiezen voor schoonheid of spektakel, dan ga ik toch voor schoonheid.

We volgen de rivier nog een klein stukje stroomopwaarts omdat we na verschillende wandelingen nu ook wel het bijbehorende meer willen zien. Bij dat meer zijn ooit de botten gevonden van een walvis. Volgens de overlevering zou het gaan om een betoverde walvis die als vloek had meegekregen dat hij enkel nog stroomopwaarts kon zwemmen. Zo kwam hij uiteindelijk aan bij de 196 meter hoge en kaarsrechte Glymur waterval, waar hij luid tierend en vloekend tegen omhoog zwom. Boven aangekomen klapte hij van pure inspanning uit elkaar.

Voor ons was de weg te voet omhoog al inspanning genoeg. We baggeren door een 5 tot 10 centimeter dik pak sneeuw, maar worden al snel tegengehouden door een stroompje dat net de breed en net te diep is om de schoenen ook van binnen droog te houden. De schoenen uitdoen met deze temperatuur vinden we beide geen optie.

We lopen nog even terug naar de Glymur die nu wordt beschenen door een waterig zonnetje. We nemen afscheid van haar schoonheid en beginnen aan het glibberige pad naar beneden. Onderweg naar beneden dopen we de Glymur waterval om naar de “Glibber” waterval.

 

Rondom het schiereiland Snaefellsnes

Hoe vaker je op IJsland komt, hoe meer alle bijzondere plekken “normaal” gaan worden. Je wordt gretig naar meer spektakel, groter, wilder, harder, desolater. Dat gaat door tot het niet meer wilder, harder of desolater kan. IJsland is in alles “de” overtreffende trap, maar na verloop van tijd wordt die overtreffende trap, de standaard en dus gewoon.

Dan kun je drie dingen doen. Op zoek gaan naar meer extremen, of alles wat je kent, met een frisse blik opnieuw bekijken om te zoeken naar wat je hebt gemist, doordat IJsland je in het verleden te vaak overweldigd heeft. Door opnieuw te kijken leer ik IJsland nu anders kennen. De derde optie is hernieuwd onderzoek doen. De onbeschreven paden bewandelen, op zoek naar de door mij onontdekte pareltjes van IJsland. Dat betekent voorafgaand aan een reis veel lezen, het internet afspeuren, en de mensen die je onderweg leert kennen grondig uithoren.

De mooiste plekjes van Snæfellsnes

We staan aan het begin van een rondje rondom Snæfellsnes. De eerste plek waar we vanaf Borgarnes stoppen is een plaats genaamd Gerðuberg. Een lange hoge rotswand opgebouwd uit basaltkolommen. Normaal gesproken parkeer ik de auto, en wandel vervolgens een stukje omhoog om dicht bij de wand te komen en daar gewapend met mijn camera plaatjes te schieten. Dit keer doe ik het anders. Ik sta met mijn rug tegen de auto geleund en speur de wand af naar de fotogenieke plekjes.

Mijn oog valt op die ene kolom, die enigszins uit het lood staat. Hoe oplettend ik normaal gesproken ook ben, ik kan me deze niet herinneren. Tijd dus om eens nader kennis te maken met deze pilaar die als enige een stap vooruit durfde te zetten.

Een kleine touringcar gevuld met nieuwe bezoekers van deze basaltwand is net op het parkeerterrein gestopt. Ik versnel mijn pas een beetje, want je weet dat zodra ze mij in het vizier krijgen, ze ook de dappere pilaar zullen zien en mijn kant in zullen komen. Sommige fotografen zweren bij de menselijke maat in het landschap zodat je kunt zien hoe groot iets is. Ik geloof daar niet in. Zo’n prachtig uitzicht met daarin zo’n storend knalrood, of fluorgeeljasje. Bovendien kan ik als fotograaf een mens in een landschap als een reus zo groot, of als een kaboutertje zo klein neerzetten, dat het ongeloofwaardig wordt. Hoe groot iets in werkelijkheid is laat ik graag aan de fantasie over van de beschouwer.

Ik heb mijn foto‘s geschoten voordat de eerste mensen ook maar de kans krijgen om mijn zorgvuldig gekozen compositie binnen te stappen.

Een lange rit naar Ytri Tunga

Vanaf Gerðuberg is het nog een behoorlijk stuk rijden naar Ýtri Tunga. Een plaats waar je vaak zeehonden kunt vinden. Na een lange rit komen we bij het strand aan waar geen zeehond zich laat zien. We speuren het rotsstrand af, maar de enige levende wezens die we te zien krijgen zijn meeuwen en mensen.

Al zijn er geen zeehonden te vinden, voor een fotograaf is er altijd wel iets wat zijn aandacht verdiend. We zijn nog niet eens heel ver van onze auto verwijderd als “mijn” aandacht naar een stukje door water en wind gecreëerde geulen wordt getrokken. Een stukje natuur dat zich mooi vast laat leggen, hoewel de lichtomstandigheden interessanter hadden gemogen. Ik kijk om me heen wat ik in mijn foto kan betrekken om het plaatje completer te maken. Dan zie ik dat ook de zon graag een rol wil spelen in mijn compositie. Speciaal voor dit moment heeft de zon een halo om zich heen getrokken. Qua belichting valt het nog even niet mee om de zaak goed te combineren, maar het eindresultaat lijkt me in combinatie met een beetje doordrukken en tegenhouden wel geslaagd.

Tevreden met mijn plaatjes ga ik bij Ans op een steen zitten welke we inrichten als tafeltje. Een mooiere plek voor een kop koffie en een boterham zullen we vandaag niet vinden. We zitten nog te genieten van het mooie uitzicht als een man met camera om zijn nek en rugzak op zijn rug naar ons toe komt gelopen. “Any seals?” vraagt hij. “No”, is ons antwoord, waarop de fotograaf zonder de mooie geulen met als decor een halo, over het hoofd ziet en verder gaat in zijn speurtocht naar de zeehonden. Ik ken het fenomeen, en had er vroeger en nu soms nog wel wat last van. Zo gefixeerd zijn op een onderwerp dat de rest van de omgeving je totaal ontgaat.

Ach, wie weet kom ik hier nog eens ooit terug en zie dan dingen die mij vandaag zijn ontgaan. Mijn eigen tunnelvisie blijft mij vaak verbazen.

Op naar het westen

We laten Ytri Tunga achter ons, en gaan op zoek naar het meest westelijke deel van Snæfellsnes, Öndverðarnes met zijn kleine vuurtorentje. Het zal bijna 20 jaar geleden zijn dat ik hier was, dus ik beschouw het als, nog niet door mij ontdekt. Als we de weg indraaien worden we eerst nog opgehouden door het strandje bij Skarðsvík. Via een moeilijke route klimmen we van gladde rots naar gladde rots naar beneden totdat we even later op het strand staan. Een mooi stukje goudgeel strand waar mooie blauwe golven keer op keer op stuk slaan. Langzaam wandelen we over het korte strand vlak langs de branding. Als we een rotspartij voorbijlopen zien we dat er een makkelijk vlonder pad ligt waarlangs we eenvoudig naar het strand hadden kunnen lopen. Onbewust hebben we een klein stukje avontuur toegevoegd aan onze wandeling.

Even later rijden we over een weg met vele kuilen naar Öndverðarnes met zijn vuurtorentje. Een leuk tussendoortje om even rond te hangen, maar door de regen een plek om niet al te lang te verblijven.  

We zijn niet zo ver van de zwarte kliffen van Svörtuloft, en de bijbehorende Skálasnagaviti vuurtoren. We rijden door een bijna surrealistisch landschap van zwarte ruw gevormde rotsen, en groene/bruine pollen gras. In de verte zien we de flanken van de Snaefellsjökull, de legendarische vulkaan waaraan Jules Verne de inspiratie haalde voor zijn boek: “naar het middelpunt van de aarde”. Door de laaghangende wolken is de wit besneeuwde top helaas niet zichtbaar.

De vuurtoren met twee namen

De knalgele vuurtoren Skálasnagaviti komt in zicht, en contrasteert enorm met zijn omgeving. De zwarte kliffen van Svörtuloft zijn net zo zwart, als de beroemde kliffen van Dover wit zijn. Vlak voor de vuurtoren die vanaf zee Svörtuloftviti wordt genoemd, ligt een kaap die je met een beetje fantasie in één adem zou kunnen noemen met zijn grote broer: “Kaap Dyrhólaey” in zuid IJsland. Met het felle tegenlicht is het geen eenvoudige opgave om de kliffen, de kaap of de vuurtoren mooi in beeld te brengen, maar na een half uurtje ben ik niet ontevreden met het resultaat.

Ik heb mijn camera net in mijn rugzak gestopt, en met veel moeite de rugzak weer over mijn schouder gegooid als de zon doorbreekt en een regenboog vormt boven de zwarte kliffen. De rugzak wordt weer neergezet, de camera gepakt, en foto’s geschoten.

Onderweg naar de auto herhaalt zich dit nog een keer, al is het dit keer niet voor een regenboog, maar voor mooi licht op de pekzwarte kliffen. Zonder om te kijken loop ik vervolgens naar de auto. Ik wil niet nog een keer in de verleiding worden gebracht de camera tevoorschijn te halen.

O ja momenten, op weg naar je bestemming

Een ander stukje IJslandse natuur waar ik 20 jaar geleden was, is de Svöðufoss. In mijn herinnering reden we over een zeer slechte gravelweg naar een kleine parkeerplaats vanwaar we de rest over modderige paadjes moesten wandelen. De slechte gravelweg is nu vervangen door een strak stuk asfalt, en de parkeerplaats is groot genoeg om wellicht 50 auto’s op kwijt te kunnen. Het doet een beetje afbreuk aan de beleving, en ik ben dan ook blij dat eenmaal het parkeerterrein voorbij we weer kunnen glibberen over modderige paadjes, en een weg over stapstenen moeten zoeken om een klein riviertje over te kunnen steken.

Net zoals we waarschijnlijk 20 jaar geleden ook hebben gedaan, lopen we te dicht naar de waterval vanwaar de schoonheid die we van afstand zagen uit het zicht verdwijnt. De ideale hoek om de waterval te fotograferen is ergens van midden in de rivier, en dat gaat mij net een brug te ver. Ik ga voor de tweede beste optie, en vind een plekje op een klein eilandje in de rivier vanwaar ik bijna het ideale standpunt bereik.

Terug naar Borgarnes

Rest ons nog de rit terug naar Borgarnes, al houd ik in mijn achterhoofd het idee aan om nog even te stoppen bij de iconische berg Kirkjufell. Het is al een heel eind schemerig als we aankomen bij de berg. Ik houd mijn blik gericht op de berg als ik plots hard op de rem moet voor een tiental mensen die hier op de weg lopen. Je mag hier 90 rijden, het is bijna donker, en die… lopen gewoon in donkere kleding op de weg. Mijn adrenaline levels schieten omhoog tezamen met mijn hartslag.

Door de vele regenval is het gebied, rondom de bij de berg behorende waterval helemaal ondergelopen met water. Net zoals de route naar de waterval, en de plekken rondom de waterval helemaal is volgelopen met mensen. De parkeerplaats is overstroomd door te veel auto’s, en mijn zin om hier nog wat foto’s te maken is tot 0 gereduceerd. Zonder te stoppen rijd ik door. Voor iemand die de menselijke maat in een landschap niet relevant vindt, staan er hier even een flink aantal mensen te veel. Voor mij is fotografie vooral een beleving, en die zou onder de huidige omstandigheden negatief zijn. Bovendien lonkt ons leuke huisje met onze baasjes, Hazeltje, Katja en Juultje.