Menu Sluiten

Een mini ontdekkingsreis

Wanneer ik uit Vopnafjórður wegrijd is dat nog bijna in de volle zon. Ik ben onderweg naar het schiereiland Melrakkaslétta, kortweg ook Slétta genoemd. Het is een van de uithoeken van IJsland waar bijna niemand woont, en waarvoor de reiziger geen tijd wil vrijmaken. Omdat het nu op de route ligt, bezoek ik eerst de Heimskautsagerðid beter bekend als de Arctichenge bij Raufarhöfn. Wanneer je in de omgeving bent is het een mooie plek om even de benen te strekken. Als fotograaf vind ik het jammer dat er een paar bankjes omheen geplaatst zijn en het pad er naartoe voorzien is van verlichting. Hiermee wordt volgens mij het doel, iets wat is geïnspireerd op Stonehenge, toch wat minder authentiek, zover je van authenticiteit kunt spreken. Ik denk wel dat in de donkere dagen, en zodra het klaar is het een sfeervolle plek zal zijn waarbij de verlichting wel past.

Deze uithoek van IJsland heb ik gekozen om een bezoek te brengen aan Rauðinúpur. De vorige keer dat ik in deze omgeving was heb ik bewust gekozen hier niet heen te gaan. Het weer was niet uitnodigend, en de alternatieven klonken toen beter. Nu kan ik het niet laten om toch te gaan kijken naar deze twee staken, Sölvanöf en Karl. Ik heb even ruzie met mijn navigatie, maar dat los ik op door te kiezen voor kortste in plaats van snelste route. Van 77 naar 42 kilometer. Ik verruil hiervoor wel het asfalt voor gravel, maar de lege uitgestrektheid van het landschap trekt mij. Ik geniet van de rit waarbij het uitzicht wisselt tussen leegte en nog meer leegte. Heel af en toe zie ik in de verte en oude verlaten boerderij. Op zich een mooi onderwerp om me ooit fotografisch in te verdiepen, maar dat mag een andere fotograaf op zich nemen.

Ik ben bijna bij mijn bestemming wanneer ik op enige afstand een poort zie met een verbodsbordje waarvan ik op afstand nog niet kan lezen wat er op staat. Gelukkig is de poort niet gesloten, en het bordje geeft aan dat je niet harder wordt geacht te rijden dan 15 kilometer per uur. Daar kan ik me wel in vinden.

Wanneer ik uitstap om de poort te openen hoor ik als eerste het gekrijs van noordse sternen. Op enige hoogte hangen ze klaar om aan te vallen zodra ik te dicht bij hun nest kom. Deze Stern is de eerste van velen. Het wemelt hier van de sternen, en ik probeer er een sport van te maken ze in de aanval vast te leggen. Dat lukt niet altijd, want die beesten zijn razendsnel. Ik denk dat ik wel kan stellen “razend en snel”.

De weg loopt dood bij een boerderij en een parkeerplek. In de verte zie ik de pilaren al staan, en gretig als ik ben om ze te fotograferen zet ik er flink, zover het pad het toelaat, de pas er in.

Door de route verdwijnen de pilaren uit beeld, maar ik kan me eenvoudig richten op de oranje vuurtoren. Die zal vast op het uiterste puntje staan, het puntje waarvandaan ik als het goed is de rode pilaren kan zien staan.

Zodra de eerste pilaar in zicht komt kijk ik even verbaasd naar de bewoners van de eerste pilaar. Tientallen of misschien wel honderdtallen Jan-van-Genten zijn de bewoners op de top. En dan te bedenken dat ik vanmorgen nog met een beetje pijn in het hart de route naar de kolonie op het schiereiland Langanes vanwege het weer heb overgeslagen. De Jan-van-Genten lopen niet weg, dus ik begin met het maken van foto’s van de pilaren. Ik kijk naar de zijde waar de pilaar rood zou moeten zijn, maar die zijde is helemaal wit. Ik moet even goed kijken, maar onder aan de pilaar nestelen enkel honderden alken. En eerlijk gezegd, denk ik dat het witte van de pilaar mooier is dan het rode zou zijn geweest.

Dan wordt het toch even tijd voor de telelens om de Jan-van-Genten wat dichter bij te halen. In volle vlucht is wat lastig, daarvoor zitten ze te ver weg, en dat vind ik geen foto waard. Maar zoveel bij elkaar heeft toch wel wat.

Wanneer ik denk dat ik het wel gezien heb, kijk ik naar de vuurtoren. Oké, ze zijn bijzonder, en knalgeel, maar zo heb ik er al velen gezien. Toch loop ik er even dichter naar toe, al is het maar om vanaf hier ook de rotsen te fotograferen. Dan komt er weer een verrassing. Ongeveer tien meter onder mij zitten tientallen Papegaaiduikers. Ook Borgarfjörður Eystri heb ik overgelagen. Een te grote omweg voor iemand die zich geen vogelaar of vogelfotograaf wil noemen. Ik vind een vogelfoto pas geslaagd wanneer er iets bijzonders gebeurt. Ik zie dergelijke foto´s regelmatig, en daar kan ik echt van genieten, maar dat zijn meestal foto´s van fotografen die zich hebben verdiept in de vogelfotografie en het hebben van een enorme dosis geduld. En zelfs die vogelfotografen zijn volgens mij al blij als één op de duizend foto´s het niveau van illustratie voor een biologieboek ontstijgt. Niets dan respect voor deze fotografen die zo op kunnen gaan in hun passie, maar het is niet mijn passie.

Maar om dan hier op een onverwacht moment de papegaaiduikers te ontdekken maakt mij dan toch weer blij. Uiteraard maak ik weer teveel foto´s, maar geen duizend. Die bijzondere foto heb ik dan ook niet gemaakt.

Ik wandel weer terug naar de parkeerplaats die inmiddels redelijk vol begint te raken.Dat ligt niet aan het aantal wagens dat een plekje zoekt, maar heeft meer te maken met het formaat camper waarmee sommige mensen willen reizen. Ik geef het meteen toe, met die campers kom je op plekken waar ik toch eerst even achter mijn oren zou krabben. Maar het beperkt je tegelijkertijd ook om te komen op plekken waar ik wel kan komen. Gewoon omdat ze te groot en te zwaar zijn. Ik geloof dat het twee jaar geleden is dat een duitse reiziger met zo´n bakbeest drie dagen heeft moeten graven om zijn camper weer vlot te krijgen.

Tot opluchting -denk ik- van een van de chaufeurs verlaat ik de parkeerplek, en maak zo net voldoende ruimte voor een kolosale camper.

Voordat ik naar een camping ga zoeken heb ik nog één plekje voor mezelf tegoed. Vorige keer dat ik hier was, waren de lichtomstandigheden voor fotografie bedroevend. Met veel kunst en vliegwerk maakte ik toen nog een redelijke foto van enkel bijzondere rotsen bij Kópasker beach. Het licht is nu een stuk vriendelijker. Na een half uur houd ik dit stuk strand voor gezien. Terwijl de vorige keer de lichtomstandigheden bedroevend waren, was ik blijer met de uiteindelijke resultaten. Een bijna blauwe lucht is mooi voor de ansichtkaarten, maar niet voor boeiende foto‘s.

Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier

Sculpturen en procenten

Ik sta aan de voet van weg 917. Ik heb zojuist de wandeling naar de Kerr kliffs zien stranden. Het te volgen pad eindigt al na 20 meter in een kniediepe doorwading door snel stromend water. Ik heb daar geen zin in, het ultieme doel van de rit naar de 917 was Þerribjörg. Een kleurrijke berg met grillige vormen aan een baai. Het voorbehoud was de status van de afslag. Als die niet te doen is, moet ik tien kilometer bij de wandeling optellen.

Waar de 917 aan zijn klim begint staan waarschuwingsborden. Hellingen van 15%. Om niet teveel te hoeven schakelen zet ik de versnelling meteen in de lage gearing. Daarmee heeft de motor voldoende kracht om, zei het traag, iedere helling te kunnen nemen.

Ik win al snel hoogte. Er zijn voldoende stukken op de route waar je enkel kunt hopen dat er geen tegenligger op je pad komt. Niet alleen is de weg slechts anderhalve auto breed, maar er is ook geen vangrail. Ik maak snel hoogte, en sta al snel bij de afslag naar Þerribjörg. Als ik al het idee had dat de 917 slecht was, dan is deze afslag de hel, zei het dat die weg niet naar beneden maar naar boven leidt.

Ik hoef de weg maar een klein stukje met mijn ogen te volgen om tot de conclusie te komen dat mijn camper hier niet voor is gebouwd. Ik rijd verder over de 917 die na een tijdje overgaat in een daling waar ik dan weer als een berg tegenop zie.

14% lijkt niet veel, maar in combinatie met gravel, de haarspeldbochten en de meedogenloze diepte meteen langs de weg maken het op zichzelf een adrenaline aanmakende ervaring. Op de momenten dat het erg spannend wordt probeer ik mezelf ook te vertellen dat de route ook erg mooi is. Genieten met een hartslag van 150 kan gewoon ook.

Op een smal stuk rijd ik langs een sneeuwval van wel vier meter hoog. Ik overweeg even te stoppen, maar laat het bij een overweging. Je zult zien dat wanneer ik uitstap, de handrem het begeeft, door de schok de auto uit de versnelling schiet, en vervolgens zijn eigen route naar beneden gaat nemen. Ik kijk, ik wik, weeg, en rijd door.

De route naar beneden gaat prima. Lage gearing, derde versnelling, en de auto glijdt met een vaartje van 30 kilometer per uur naar beneden. Wellicht is die snelheid iets te laag. Mijn niet zo snuggere smart watch feliciteert mij namelijk met mijn fietstochtje. Goed bezig staat er op het display.

Na een paar kilometer te hebben gereden op een gewone vlakke weg, zie ik een stukje uit de kust: Ljósastapi Fillinn. Vrij vertaald „Het veulen van de lichtrots“, maar blijkbaar wordt hij in de volksmond „Olifantenrots“ genoemd. Al denk ik niet dat het dan om de IJslandse volksmond gaat. Mijn creatieve proces begint met Wow mooi, vervolgens, ik zie het niet, en dan het eureka moment waarop mijn camera mag vastleggen wat ik zie.

De hele kustlijn bestaat hier uit prachtige sculpturen die zijn vormgegeven door de natuur. Het is een overdaad aan schoonheid, die na korte tijd gewoon wordt, en daarna fotografisch minder interessant. Dat ligt niet aan de rotsen, maar ik bereik een verzadigingspunt.

Nog even stop ik bij de Gljúfursárfoss. Een mooie waterval in een diepe kloof, maar de zon schijnt, en op zich is dat mooi, maar de zon weet slechts een deel van de waterval in het zonnetje te zetten. Hierdoor worden fotografisch gezien de contrasten te groot, en wordt de foto meer een registratie dan dat ik er niets creatiefs mee ga doen.

 

Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier

Een nieuwe oude ervaring

De camper wiegt heen en weer door de razende wind die niet goed weet of hij aan de camper moet duwen of trekken. Voor mij is het een bijna zen moment. Het zachte schommelen werkt ontspannend, en het geraas van de wind onderdrukt ieder ander geluid. Het is verleidelijk om in bed te blijven liggen, maar alles in mij zegt dat het tijd wordt om mezelf in beweging te zetten.

Het geeft rust te weten dat ik niets hoef, maar het vereist daardoor net iets meer discipline om in beweging te komen. Ik controleer even het weerbericht. In het noorden, waar ik heen wil gaan, is er veel regen. In het zuiden een beetje regen, maar ook veel droge momenten. Ik spreek mezelf even streng toe, sla het dekbed opzij, en zet mijn eerste stap in deze dag. De thermometer vertelt me dat het iets meer is dan 11 graden. Eergisteren huiverde ik al bij 16 graden, en nu voelt 11 graden niet eens echt koud.

Een uurtje later verlaat ik de camping, en rijd richting het zuiden op zoek naar de Beljandifoss. Het is geen hele bijzondere waterval, maar wel één die ik nog niet eerder gezien heb, en door zijn ligging, redelijk uit de doorgaande routes verwacht ik ook geen drukte.

De wind die mij vannacht in een ontspannen ´zijn´ bracht, brengt me nu in een continue staat van paraatheid. Ook nu rukt en trekt hij aan de camper, maar op de weg is dat minder handig dan stationair op een camping.

Een paar kilometer voor Breiðdalsvík verlaat ik de doorgaande weg, waar het asfalt al snel plaats maakt voor gravel. Steeds dieper leidt de navigatie mij weg van de hoofdweg, zelfs zover dat ik niet geloof dat ik nog goed zit. Twijfel maakt zich meester van mij, en wanneer de navigatie aangeeft dat ik er al ben, ben ik ook nog eigenwijs genoeg om hem te negeren en door te rijden. ´Hier is niets, dus ik moet vast nog wat verder doorrijden´.

Na ongeveer vier kilometer verder door te hebben gereden, waarbij ik nog steeds niets zie wat op een waterval zou kunnen wijzen, kijk ik nog eens goed op de kaart. Ik was ervan uitgegaan dat de waterval vanuit de bergen zou komen, maar nu ik nog eens goed op de kaart kijk, realiseer ik me, dat ik het bij het verkeerde eind had. De waterval ligt meer op het vlakkere deel. Ik keer de auto, en rijd terug naar de plek waar mijn navigatie de eerste keer al aangaf waar ik moest stoppen.

Na weer eens vier kilometer parkeer ik de camper. De kaart geeft nu aan dat ik nog ongeveer anderhalve kilometer mag wandelen. De wind is nog steeds stevig. Ik begin aan de wandeling, en laat de camper alleen achter met de wind als zijn speelkameraad, al kan ik misschien beter spreken over zijn danspartner waarbij de wind leidt.

Ik trek de capuchon van mijn jas over mijn hoofd, en trek de koortjes strak aan. De zonnebril is ook geen overbodige luxe. Tegen de wind in is zelfs iedere ademhaling een uitdaging. Zodra ik mijn mond open lijkt het alsof de wind alle lucht uit mijn longen wil zuigen.

De waterval is ongeveer vier meter hoog, en als ik bij de voet van de waterval aankom bevind ik me in een relatieve beschutting van de wind. Het waait nog steeds, maar de capuchon kan af, en ook de zonnebril verdwijnt in mijn zakken. De waterval zelf is voor IJslandse begrippen niet spectaculair te noemen, maar door zijn ligging, met in de achtergrond besneeuwde bergtoppen, wint de setting het van het spektakel.

Ik kijk om me heen, en besef dan dat ik hier helemaal alleen ben. Het IJslandgevoel dat ik twintig jaar geleden had, komt weer terug. Het idee dat je alleen op de wereld bent, dat deze waterval even van mij is, en dat ik hem met niemand hoef te delen. Niet iedereen zal dat begrijpen. Wie vindt het nu heerlijk om alleen te zijn? Ik zou iedereen deze ervaring willen gunnen.

Niet altijd, niet iedere dag, maar soms leer je jezelf beter kennen wanneer je helemaal op jezelf bent teruggeworpen.

 

Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Alleen, maar niet eenzaam

Onderweg naar IJsland – 2026

De tijd verstrijkt langzaam. Ik doe een spelletje op mijn telefoon, kijk een gedownloade Netflix-film, en geef toe aan de slaap waar ik blijkbaar al lang aan toe was. Komt het door het zachtjes wiegen van de boot, de warmte in mijn hut, de verveling die me loom maakt? Of gewoon de suikerinname, want de verveling laat me steeds weer een nieuwe toffee pakken. Erg zoet en erg zacht. Zodra de toffee op mijn tong ligt, valt hij uiteen in zachte chocolade die de karamel omhult. De karamel en de chocolade bieden mijn smaakpapillen een paar seconden overwerk waarna ze bijna vloeibaar in mijn slokdarm verdwijnen. Mijn smaakpapillen komen meteen in een staat van opperste verwarring en vragen zich af waar die sensatie van net gebleven is. Mijn onderbewustzijn helpt door een volgende toffee op mijn tong te leggen, mijn lichaam in verwarring brengend over een weeïg gevoel dat zich meester van mij maakt en aangeeft dat het wel genoeg is geweest.

Steeds wanneer ik mijn hut binnenloop, voelt het even fris. Die frisheid is relatief. Het is slechts frisser dan op de gang. Na een tijdje voelt die frisheid drukkend en kan ik niet anders dan de hut verlaten en een wandelingetje maken door de lange gang met blauwe vloerbedekking en veel deuren. Allemaal hutten met mensen die ieder hun eigen verhaal hebben. De vierpersoons hutten, het zijn verblijven voor een paar dagen, toch prijs ik mezelf gelukkig dat ik zo’n hut voor mezelf heb. De bovenste stapelbedden zitten opgeklapt tegen de wand waardoor je toch een beetje de illusie van ruimte hebt. Een klein bureautje met een krukje en een klein tafeltje tussen de onderste bedden. Een douche en een toilet, allemaal functioneel, misschien zelfs enigszins knus. Een poster van een gele dwergstrandloper is de enige versiering in de kamer.

Ik loop over de gang en ga van de zevende naar de vijfde verdieping. Er is een winkeltje met te dure spullen en wat souvenirs, maar ook toffees. Langs het winkeltje een aantal tafeltjes met wat luxere stoelen. Hoewel ze plaats bieden aan vier of meer personen lijken ze stuk voor stuk geclaimd door enkelingen, en soms een duo. Tassen worden gebruikt om het territorium af te bakenen. Soms ligt een enkeling door het ontbreken van een tas breeduit over een bank om het territorium te claimen. Twee mannen zitten breed uit op de banken, met twee aangebroken sixpacks tussen hen in om aan te geven dat dit hun hoekje is. De twee sixpacks geven duidelijk aan dat dit duo geen prijs stelt op een extra passagier. Niet dat ik hun dronkenmansgelul zou willen aanhoren. De nutteloze bandana om hun hoofd moet naast de sixpack waarschijnlijk een soort verbondenheid aangeven, al zal ik nooit begrijpen waarom iemand in een binnenruimte een bandana of petje zou willen dragen. Het zal wel iets te maken hebben met het imago dat ze hiermee denken uit te stralen.

Een stukje verderop loop ik een van de restaurants van het schip binnen. Een dertigtal, misschien wel een veertigtal mensen vult de tafeltjes. Een enkel stel heeft een stok kaarten bij zich en speelt in stilte, sommigen lezen een boek, maar de meesten zitten verdiept in hun mobiele telefoon. Het mooiste zijn de stellen waarvan één verdiept is in de telefoon, en de partner apathisch naar buiten kijkt naar de klotsende zee en de voorbijdrijvende wolken. Buitenom wandel ik naar de Laterna Magica-bar. Van buiten zie ik eigenlijk hetzelfde tafereel: mensen die verveeld en apathisch naar buiten kijken.

Ik loop de bar binnen. In de hoek van de ruimte op een te klein podium zit een muzikant zijn zuiverste noten te zingen. Noten die hij begeleidt met zijn gitaar. Eerlijk gezegd, het klinkt best goed, maar voor de aanwezigen niet genoeg om ook maar enige aandacht te krijgen. Ook in deze bar is iedereen druk bezig met niets doen. Blik op leeg. Als ik binnen kom, is er niet één hoofd dat even in mijn richting beweegt. Ik kijk altijd rond wanneer ik ergens binnen kom, kijkend of er een moment van oogcontact volgt, maar hier gebeurt helemaal niets. De barman die bezig is de bar te poetsen kijkt even op, knikt vriendelijk en gaat verder met poetsen. De bovenzijde van de bar is versierd met afbeeldingen van oude Faeröerse postzegels, ik neem de afbeeldingen in mij op en denk aan de IJslandse postzegels waarmee ik thuis bezig ben.

Ik kijk nog even naar het tafereel van de afwezige aanwezigen. Het voelt eenzaam, en ik besluit terug te gaan naar mijn hut waar ik net zoveel gezelschap heb als hier, tussen de mensen. Alleen in de hut voel ik me niet eenzaam, slechts alleen. En dat is prima.

 

Terug naar Kulusuk

Terug naar Kulusuk

De volgende dag is het tijd om afscheid te nemen van Tasiilaq. Er staat flink wat wind en de piloot van onze helikopter waarschuwt dat het er ruig aan toe kan gaan. We trekken de veiligheidsgordels wat strakker aan, beschermen onze oren met gehoorbeschermers, en hangen even later hoog in de lucht.

Vanuit de helikopter zien we het landschap langzaam onder ons voorbijschuiven.

De ijsschotsen, de rotskust en de gekleurde huisjes schuiven langzaam aan ons voorbij. De vlucht van iets meer dan 10 minuten voorziet ons van indrukken die veel langer zullen bijblijven.

Een wandeling naar het dorp

Vanaf het hotel loop je in iets minder dan 20 minuten naar het plaatsje Kulusuk. Het aantal inwoners loopt al jaren terug en staat in 2024 op iets meer dan 280. We brengen een bezoek aan het museum. Jacob, de beheerder van het hotel, had ons als aanwijzing “het rode huis met de blauwe deur” gegeven. Dat bleek genoeg om het museum, dat van buiten niet als zodanig te herkennen is, te vinden.

Een eerste blik op Kulusuk

We worden opgewacht door de gids die ons vol trots vertelt over het leven in Kulusuk, en hoe de bewoners ondanks de barre omstandigheden wisten te overleven. Ze overleefden met materiaal dat bestond uit wat de natuur te bieden had: botten en huiden van dieren, hout dat aanspoelde vanuit Siberië. Niets werd verspild. Hij vertelt over sjamanisme, en hoe de sjamanen angstvallig geheim hielden dat ze sjamaan waren. Over de tupilaqs, beeldjes die anderen onheil moesten berokkenen, gemaakt door de sjamaan, en hoe ze tot leven gewekt konden worden.

Een tupilaq werd ’s nachts in het geheim gemaakt, en kon bestaan uit dierlijk materiaal zoals huid, been, pezen en soms ook delen van lichamen van dode kinderen. Uiteindelijk werd het beeld met rituele gezangen en mantra’s, en door hem aan te raken met de geslachtsorganen, of zoals onze gids steeds vertelde “with his manhood”, tot leven gewekt.
Het gebruik van een tupilaq was riskant. Als degene die vermoord moest worden sterkere magische krachten had, kon de tupilaq worden teruggestuurd en de maker doden.

Dwalen door Kulusuk

Vanaf het museum lopen we eerst nog even gezamenlijk naar de kerk, waarvan de deur helaas gesloten is. De gekleurde huisjes kunnen niet verbloemen dat het dorpje een wat mistroostige indruk achterlaat.

Een aantal gekleurde huisjes in Kulusuk

De grijze lucht speelt natuurlijk ook niet echt mee. De contrasten in beleving zijn vaak zo verschillend, afhankelijk van welke kant je uit kijkt. Aan de ene kant de eenvoudige, wat mistroostige huisjes, aan de andere kant een baai, wit met blauwe ijsschotsen en zwarte bergen met uitlopers van maagdelijk witte sneeuw.

De witblauwe ijsschotsen met in de achtergrond de zwart witte bergen

Even buiten het dorp ligt het oude kerkhof. Een plek met uitzicht over de baai, met veel verweerde kruisen die zonder enige planning zomaar ergens zijn neergezet. Geen keurige rijtjes, maar een rommelig en treurig geheel van eenvoudige witgeschilderde houten kruisen. Maar is dat ook niet hoe een kerkhof zou moeten zijn? Geen orde, maar zomaar ergens een plekje waarvan de nabestaanden vinden dat het goed is. Een tegenstelling met de bijna “zielloze” verzameling stenen in nette perkjes die wij een kerkhof noemen.

Een kerkhof met willekeurig geplaatste kruizen.

Een avondwandeling naar de ijsbergen

“Ongeveer 20 minuten lopen,” zegt Jacob, de hotelmanager. Daar heb je uitzicht over mooie zwarte bergen, maar ook veel drijfijs. Na het diner maken we dan ook een avondwandeling naar de ijsbergen. Mistflarden omarmen de bergen in de baai. Meestal zullen mensen verlangen naar helder uitzicht, maar voor een fotograaf zijn die mistflarden gewoon extra elementen die samen een mooie foto kunnen opleveren.

Mistflarden als extra element in de landschapsfoto

Het is soms even wachten op de mooiste flarden op de juiste plek. Wil je de top van die berg nu net wel vrij hebben, of is het toch mooier als de top door de mistflarden aan het zicht wordt onttrokken? Als je voldoende tijd neemt, heb je het gewoon beide, al is de perfecte flard natuurlijk niet voorbijgekomen. Het perfecte plaatje bestaat dan ook niet. Het is altijd een compromis van elementen, licht en weersomstandigheden. Een perfect genietmoment bestaat dan weer wel, en deze avondwandeling is een aaneenschakeling van genietmomentjes.

IJsbergen drijven voor de zwart/witte bergen

IJslandTours uw reisspecialist

 

Bluie East Two bij Ikateq

De verlaten Amerikaanse basis Bluie East Two

9 uur, onze boot glijdt langzaam door het bijna rimpelloze water van de Kongsfjord. Het water, het ijs en de lucht vormen een palet van slechts één kleur met enkele kleine nuances. Aan de andere kant van de boot spiegelen de bergtoppen van de Kongsfjord zich in het water.

Langzaam versnelt onze boot. Doordat de boeg omhoog komt, hangen we meer naar achteren in onze stoelen. Onverwacht maken we een scherpe bocht naar rechts, en vertraagt de boot. Een paar honderd meter verderop ligt een ijsschots waarop een jonge zeehond ligt te rusten. Langzaam komen we dichterbij, waarbij de zeehond ons angstvallig in de gaten houdt. Hij laat zich echter niet verjagen, zodat wij rustig wat foto’s kunnen maken. Als we verder varen, denk ik toch even een beetje opluchting in zijn gezicht te bespeuren.

Op weg naar Bluie East Two

Het is best een stukje varen naar Bluie East Two, een oude verlaten Amerikaanse luchtmachtbasis. We stoppen dan ook enkel bij de mooiste en meest bijzondere ijsbergen, boeiende kusten, reflecties of andere landschappelijke schoonheden.

Een uitgestrekt ijsplateau zorgt ook voor een stukje vertraging. Langzaam snijdt de boeg van onze boot door het ijs heen. De waterbeweging die we hier veroorzaken, danst in een vloeiende beweging onder het ijsplateau door. Een soort vertraagde en verstilde golf drijft langzaam bij ons vandaan.

Als een kind in een speeltuin

Even later legt de boot aan bij een constructie die ooit dienst heeft gedaan als aanlegsteiger. Door het klimaat zijn de dikke balken wit uitgeslagen. Stukken verroest staal proberen de balken nog enigszins op hun plaats te houden, wat vooralsnog wel lukt, maar wanneer tijd de tijd krijgt, zal over een x aantal jaren niets meer getuigen van deze constructie.

We klimmen van boord en volgen de aanwijzingen van onze gids op. Lopend over de landingsbaan kun je de restanten van de basis niet missen.

Door het hoogteverschil vanaf de boot worden de restanten nog aan het oog onttrokken. We zien enkel de fjord en enkele bergen, hier en daar nog bekleed met een beetje sneeuw en omarmd door een laaghangende wolk. Gespannen als een kind in een speeltuin versnel ik mijn pas.

Is het aanzicht mooi, verschrikkelijk of gewoon fotogeniek?

Dan komen de eerste achtergebleven legervoertuigen in beeld. Het legergroen heeft plaatsgemaakt voor roestbruin, of moet ik vanwege de twijfelachtige status van “schoonheid van het verval” het woord terracottabruin gebruiken?

Ik twijfel of ik het aanzicht mooi, verschrikkelijk of gewoon fotogeniek vind. Fotogeniek is het zeker. De oude stalen karkassen, geen van allen nog met ramen, sommige met en sommige zonder banden. Banden die dan nog steeds pekzwart zijn, alsof het rubber de tand des tijds heeft weten te doorstaan. Dat laatste is natuurlijk enkel schijn. De banden zijn keihard, en aanraking resulteert in zwarte handen.

Misschien mag ik in plaats van fotogeniek ook de term surrealistisch gebruiken. Van de legervoertuigen kijk ik naar de honderden lege vaten. Vaten die ooit gevuld waren met brandstof, olie en wie weet wat nog meer. Bij het verlaten van de basis zijn de volle vaten simpelweg stukgeslagen, om te voorkomen dat iemand nog iets met de chemicaliën zou kunnen doen. De vaten worden door de plaatselijke bevolking “Amerikaanse bloemen” genoemd. Op een zonnige dag en van afstand lijken de vaten op hectaren vol goudsbloemen. Weggezakt in de grond, weggespoeld door de regen, langzaam in de fjord gesijpeld. Er is geld vrijgemaakt om de grond te saneren en in ieder geval onderzoek te doen naar de staat van vervuiling.

De onderkomens van de manschappen

In de overblijfselen van een loods staan nog enkele legervoertuigen. De stalen spanten van de loods zijn simpelweg doorgebogen, en niets in mij voelt de drang om de voertuigen van dichterbij te gaan bekijken. Ieder stuk staal lijkt op het punt te staan om naar beneden te storten. Ik houd een veilige afstand en beklim even later een heuvel.

Van de onderkomens van de manschappen rest niet veel meer dan een vloer en wat losse planken. Hiertussen manoeuvreren heeft wel wat risico’s in zich. Lange spijkers staan recht overeind, klaar om bij de eerste de beste misstap mijn schoenen en voeten te doorboren. Iedere stap moet bewust worden uitgevoerd.

Even ben ik afgeleid door een koppeltje sneeuwhoenen. Het is bijzonder te zien hoe ze zich hier tussen de oude rotzooi begeven. Groenland is enorm groot en de natuur is vrijwel overal schoon, maar de sneeuwhoenen gaan uitgerekend hier in deze rotzooi zitten. “Waarom?”, vraag ik me af, om vervolgens in de spreekwoordelijke spiegel die ik mezelf voorhoud te kijken. Daarom!

Een oud fornuis, een ketel, verweerd hout en nog veel ondefinieerbaar metaal liggen hier over een grote afstand verspreid. Aan de ene kant zou ik het allemaal willen opruimen, aan de andere kant zie ik er ook de waarde van in om het te laten liggen. Laten liggen als stille getuige van de waanzin van de mensheid.

Het getij bepaalt

Ik zit nog in mijn overpeinzingen wanneer ik in mijn ooghoek, ver weg, onze gids zie staan. Ze zwaait en maakt gebaren die volgens mij betekenen dat ik terug moet keren naar de boot. Met een beetje tegenzin volg ik haar aanwijzingen op, niet wetend waarom. Ik had hier nog wel een tijdje kunnen blijven, want fotografisch inspirerend is de plek zeker.

Als ik terugkom bij de aanlegsteiger, zie ik het probleem. Het water van de fjord zakt snel. Nog even, en we kunnen de boot niet meer bereiken. Even later voegen ook de laatste deelnemers en de gids zich weer bij ons. Met wat kunst- en vliegwerk klimmen we aan boord, wat redelijk gaat, tot de laatste vrouw. Onze gids klimt als laatste aan boord, daarbij geholpen door twee van ons.

Niet veel later kunnen we het anker lichten en varen we terug door de fjord. Het getij bepaalt.

Ook deze reis was een samenwerking met IJslandtours

De boottocht naar Tiniteqilaaq

De boottocht naar Tiniteqilaaq

Nog niet helemaal wakker trek ik de gordijnen van mijn hotelkamer open. Het uitzicht tovert spontaan een glimlach op mijn gezicht. Door het raam kijk ik uit over de Kongsfjord, waar een langgerekte wolk de bergen aan de overkant in tweeën deelt. Ik blijf een tijdje door het raam staren, gefascineerd door de schoonheid van het landschap.

Ik kijk naar de gekleurde huisjes onder aan de heuvel en vraag me af of dit uitzicht nog steeds zo fascinerend is als je hier bent opgegroeid en het niet anders kent. Ik sla het uitzicht in mijn geheugen op, maar maak als geheugensteuntje ook een paar foto’s.

In de haven ontmoeten we onze gids Line en de stuurman van onze boot, Tobias. Tobias ken ik nog van een boottocht uit 2006. Hij is weliswaar wat ouder geworden, maar verder niets veranderd.

Varen, varen over de baren…

Wanneer je in een mild zonnetje uit de wind in de boot stapt, is het bijna niet voor te stellen dat je snel door en door koud kunt geraken. Eenmaal uit de beschutting van de haven komt er bovenop mijn thermokleding, winddichte broek en winterjas ook al snel een muts, das en handschoenen. Met 50 kilometer per uur in een open boot, blootgesteld aan alle elementen, heb je niet snel te veel kleren aan.

We verlaten de Kongsfjord en zetten via de Sermiliik fjord koers naar Tiniteqilaaq. De meesten noemen het Tinit. Een stuk makkelijker, in ieder geval voor ons westerlingen die de letter Q nauwelijks gebruiken.

Vooral ijsbergen

Al snel zitten we tussen gigantische ijsbergen. Sommige met keurige rechte wanden, andere verbrokkeld, verkruimeld, alsof je naar een wit zandkasteel kijkt. Een statige kathedraal van ijs rijkt naar de gedeeltelijk blauwe lucht.

De hele tocht naar Tiniteqilaaq is een aaneenschakeling van verbazing. Er zijn momenten van een eenzame ijsberg, grote lage ijsplaten en enorme formaties die tot wel 20 meter boven ons uitsteken.

Tiniteqilaaq in zicht

Al van verre zijn de eerste gekleurde huisjes van Tiniteqilaaq in zicht. De huisjes liggen op een idyllische plek met in de achtergrond een heuvelrug. Het verklaart ook de naam van het dorp, dat vertaald “plaats met een rij heuvels” betekent. Tinit is waarschijnlijk ontstaan in 1923. In 2024 wonen er 110 mensen, voornamelijk jagers en vissers.

Wanneer wij aankomen, ziet het dorp er verlaten uit. Een aanlegsteiger ontbreekt. Het verlaten van de boot gaat door op een sneeuwplateau te klimmen. De eerste paar stappen zijn wat onwennig, maar de sneeuwlaag is solide en draagt ons met gemak.

Over een modderig pad, een pad dat de enige weg in het dorp blijkt te zijn, lopen we langs een paar op het oog verlaten huisjes naar het centrum van het dorp. Centrum is een groot woord, maar hier staan de school en een gebouw waarvan ik denk dat het een gemeenschapsgebouw is.

Een paar kinderen spelen bij de school. Hier en daar kijkt een sledehond ons verveeld aan, behalve als we te dicht bij komen. Middels huilen vragen ze dan om aandacht. Aandacht die je ze niet mag geven. Honden zijn hier geen huisdieren. Het zijn “werkpaarden” die in de winter de sledes over de dichtgevroren fjorden mogen trekken.

De bijzondere betekenis van de gekleurde huisjes

Zoals in de meeste Oost-Groenlandse dorpen zien de huisjes er door de verweerde verf armoedig uit. Op de plekken waar de verf helemaal van de huizen is verdwenen, komt door de arctische omstandigheden geconserveerd hout tevoorschijn. Het lijkt gevrijwaard te zijn van rot. De verf is blijkbaar meer een manier om het dorp op te fleuren, al hebben de kleuren van de huisjes oorspronkelijk ook een belangrijke functie. Post- en telefoniegebouwen zijn blauw, gezondheidszorg geel, onderwijs- en kerkelijke gebouwen groen, en handel rood. Tegenwoordig hebben ze die betekenis niet meer, maar de kleuren vrolijken het dorp wel wat op.

Terug naar Tasiilaq

Met uitzicht op de fjord genieten we van een heerlijk zonnetje en nuttigen we onze lunch alvorens weer terug aan boord te gaan. We laten Tinit achter ons, en al snel gaan de handschoenen, das en muts weer aan. Ondanks de kou genieten we van de boottocht, onze ogen steeds speurend naar fotogenieke ijsbergen. Onderweg leggen we de boot even tegen een ijsplaat aan en worden we door onze gids uitgenodigd om even op het ijs te gaan wandelen. Met de gedachte dat van een ijsplaat ongeveer 10% boven water uitsteekt, waag ik het erop. Ook hier zijn de eerste stappen weer wat onwennig, maar voelt het bijna hetzelfde alsof je op het land loopt. Een bijzondere ervaring.

Ingesloten door het pakijs

De wind is gedraaid. Wij merken daar niet zoveel van, maar Tobias, onze kapitein, speurt meer over het water dan ik van hem gewend ben. Het ijs heeft ons ingesloten. Er wordt zonder succes gezocht naar een doorgang, maar dat blijkt moeilijker dan gedacht. Tobias stuurt de boot naar de rotskust en begint aan een wandeling naar een hoger gelegen punt. Wij strekken even de benen en gaan weer aan boord zodra Tobias terug is. We moeten een stuk omvaren, maar hij heeft een doorgang gevonden door het ijs heen.

Die doorgang is niet altijd even voor de hand liggend. Soms zit er niets anders op dan de boot tussen twee ijsschotsen te manoeuvreren en dan hopen dat de schotsen zich door de kracht van de boot gewonnen geven en uiteendrijven. Langzaam vordert de boot op zijn route richting Tasiilaq. Na een paar kilometer manoeuvreren zijn we door het ijs heen en staat/drijft ons niets meer in de weg om Tasiilaq te bereiken.

We verkennen Tasiilaq

We verkennen Tasiilaq

Met het raam van mijn hotelkamer wijd open adem ik flinke teugen in van de frisse Arctische lucht. Mijn ogen dwalen over de fjord en de zwarte bergen aan de overkant, die mooi getekend zijn met vlakken en strepen spierwitte sneeuw. Een spiegeling in de fjord, de drijvende ijsplaten en een in vele grijstinten gevulde wolkenlucht maken het plaatje compleet.

Na een stevig ontbijt met de groep – had ik al verteld dat het een fotografiereis is? – wandelen we een stukje langs de fjord. Rond de middag moeten we aanwezig zijn op het vliegveld voor de helikoptervlucht naar Tasiilaq. Een korte wandeling en een beetje Groenland opsnuiven is een mooie besteding van deze ochtend. Natuurlijk domineren de landschappen, maar daarnaast zijn de tot opslagplaatsen omgebouwde zeecontainers, brandstofsilo’s en een plek die veel wegheeft van een autosloop, maar dan met voornamelijk sneeuwruimers en oude boten, ook gewilde plekken om de camera’s alvast te laten wennen aan een voor ons “exotische” omgeving.

Iets voor 12:00 uur staan we op het vliegveld waar de helikopter al voor ons klaarstaat. Een helikoptervlucht is best een bijzondere ervaring, zeker als je de vluchten enkel kent van spannende films. Je zit vastgesnoerd in een 4-puntsgordel en gehoorbescherming is zeker niet optioneel. Een telefoon-app registreert tussen de 85 en 95 dB, wat gedempt door de gehoorbescherming goed te doen is, maar geloof maar niet dat je onderweg gezellig een praatje kunt maken met je buurman of -vrouw. Gebarentaal en gezichtsuitdrukkingen zijn je communicatiemiddelen aan boord.

Het opstijgen gaat verbazingwekkend soepel, en voor je het weet kijk je van geringe hoogte neer op de fjord met de vele ijsplaten. Voor wie geen plek aan het raam heeft weten te bemachtigen, is de gedwongen fotoloze overtocht geen straf. Het uitzicht is fenomenaal en voor we het weten, is de ongeveer 10 minuten durende vlucht alweer voorbij en stappen we uit in Tasiilaq.

Gescheiden door dezelfde taal

Ik ben nog op zoek naar het telefoonnummer van hotel Angmagssalik als de bus van het hotel arriveert bij het vliegveld. Even later staan onze koffers in onze kamers, waarbij ik moet aantekenen dat ik in gezelschap ben van onder andere vier gasten uit België, waarvoor ik me moet aanwennen de koffers “valiezen” te noemen.

Bovendien moet ik ook niet zeggen dat we een stukje gaan lopen, want voor onze zuiderburen is “lopen” rennen. Als we een wandeling gaan maken in Tasiilaq, gaan we dus niet lopen maar stappen, want het Belgische stappen is ons lopen. De Nederlanders in ons gezelschap moet ik daarentegen weer uitleggen dat we niet naar de kroeg gaan, want stappen heeft bij ons weer een andere betekenis. Kortom, wat ik ook van onze zuiderburen heb geleerd, is dat Nederlanders en Belgen twee volkeren zijn, gescheiden door dezelfde taal. Of moet ik in deze woordkeuze Belgen ook weer vervangen door Vlamingen?

Na een uitgebreide lunch gaan we wandelen door Tasiilaq. Het is voor mij een aparte gewaarwording weer terug te zijn in de grootste stad van Oost-Groenland, met 1850 inwoners. In 2006 heeft deze stad veel bij mij losgemaakt. Op het eerste oog is er, op wat nieuwbouw na, niet heel veel veranderd in de afgelopen 17 jaar. Het oudere deel van de stad brengt veel herinneringen bij mij terug. Het maakt mij enigszins melancholisch. Het is toch een plek waar een droom uiteenspatte, maar ook een plek waar ik nieuwe wegen insloeg.

De Bloemenvallei

Vanaf het hotel loopt een steil pad naar het lagere gedeelte van de stad. Bij een kruising volgen we de weg die ons via het kerkhof de Bloemenvallei inleidt. Een kerkhof blijft een indrukwekkende plaats om even bij stil te staan. Het kerkhof lijkt nergens op de kerkhoven die wij kennen. Een verzameling van witte kruizen, sommige nog netjes in de lak, andere enorm verweerd. De nieuwere graven zijn versierd met vele kunstbloemen. Sierbloemen zul je in Groenland vanwege het klimaat niet vinden, maar de kunstbloemen zullen voor de Inuit dezelfde troost bieden als hier de echte bloemen doen.

Maar ook de kunstbloemen doorstaan de tand des tijds slecht. De kunstbloemen ontlopen hun lot niet. De zon en het harde klimaat zijn onverbiddelijk voor de kleuren van de bloemen en laten ze op hun eigen wijze verkleuren, en zo ontstaat een andere manier van verwelken. Daarnaast doet de wind zijn best de bloemstukken uit elkaar te rukken, en worden bloemenkransen door de natuur verdeeld over de overige graven. Een mooie gedachte, want delen hoort bij de cultuur van de Inuit.

Voor ons fotografen bestaat het verdriet niet. Het verdriet hier wordt door de kruizen gemarkeerd. Fotografen zien de patronen, de symmetrie of juist het totale ontbreken van die symmetrie in de meestal naamloze kruizen.

We vervolgen onze weg

We wanen ons helemaal alleen. Wij zijn te vroeg in het seizoen om te zien waar de Bloemenvallei zijn naam aan heeft te danken. De winter was dit jaar lang, en zelfs nu is er nog nauwelijks sprake van lente dan wel zomer. De meeste begroeiing draagt nog het bruine kleed van een door sneeuw en koude geteisterd toendralandschap. Grote vlakken met een roodachtige bloeiwijze verraden het ontluiken van een bosbessensoort.

Na een paar kilometer staan we aan een waterval. Hoewel het hier om de enige noemenswaardige waterval in de omgeving van Tasiilaq gaat, heeft de waterval geen echte naam en staat hij bekend als de “Bloemenvallei-waterval”. We lopen langs de waterval omhoog en staan dan oog in oog met een groot meer. Als de wind even gaat liggen, ontstaat een mooie spiegeling van de achterliggende berg.

We wandelen terug naar het hotel. We komen opnieuw bij de steile weg, alleen dit keer moeten we de steile weg omhoog volgen, wat een aanslag is op zowel de kuitspieren, de ademhaling als de zweetklieren. In de avond geniet ik nog even van het mooie uitzicht over de Kongsfjord!

Deze reis was weer perfect samengesteld door IJsland Tours.

First impressions often lie,

they often fool the naked eye. (Fischer-Z)

17 jaar na mijn laatste bezoek aan Groenland betreed ik opnieuw Groenlandse bodem. In 2006 bezocht ik Groenland voor het eerst. Het was een bezoek om nooit meer te vergeten. Noem het een cultuurshock, maar in een week leerde ik hoe eerste indrukken je vaak op het verkeerde been kunnen zetten. Mijn eerste bezoek was de aanleiding voor mijn eerste boek, “Waarom Groenland…”, waarvoor ik in 2007 een tweede bezoek aan Groenland bracht.

Het publiceren van mijn eerste boek was op zijn zachtst gezegd een ontnuchtering. In mijn naïviteit had ik hoge verwachtingen over wat mijn boek teweeg zou brengen. Het werd de spreekwoordelijke druppel in een immense oceaan. Gedesillusioneerd door de desinteresse van uitgeverijen en een erg lompe, onnodige en kwetsende reactie van de toenmalige hoofdredacteur van National Geographic, bleef mijn boek lang steken bij een proefdruk.

Na een periode van bezinning en enkele positieve reacties besloot ik het boek in eigen beheer toch uit te geven. Het werd natuurlijk geen bestseller, maar de positieve reacties die ik mocht ontvangen hielpen me weer terug op het pad van fotograaf en auteur. Het boek is nu nog verkrijgbaar als iBook Waarom Groenland…

Eerste halte: Kulusuk

8 juni 2024, de Havilland DHC-8 van Icelandair zet zijn wielen aan de grond op de luchthaven van Kulusuk. Een paar minuten voor de landing kon ik al genieten van het adembenemende uitzicht op ijsschotsen, ruige puntige rotsen en een stuk van de kustlijn van het eiland Kulusuk.

De formaliteiten bij de kleine luchthaven zijn snel afgewerkt en mijn koffer is al snel weer in mijn bezit. Buiten wacht Jacob, de beheerder van Hotel Kulusuk, me al op. Een ritje van twee kilometer brengt me naar het hotel met de passende naam “Hotel Kulusuk”.

Het harde Groenlandse klimaat heeft zijn sporen nagelaten op het houtwerk van het hotel. Extreme koude, hevige stormen en bij helder weer de felle en ongenadige zon, zijn geen vriend van schilderwerk. Een grote tegenstelling tot de binnenzijde van het hotel, die warmte en welkom uitstraalt.

Door het tijdsverschil van drie uur met Nederland kom ik aan op een mooi moment voor het diner, maar ben ik ook erg blij als ik mijn kamer kan opzoeken en mijn ogen kan sluiten.

Het uitzicht vanuit mijn kamer

Nog niet helemaal in het juiste ritme, sta ik ook alweer vroeg naast mijn bed. Ik trek de gordijnen open en realiseer me dat ik nu echt een “room with a view” heb.

Het gouden zand van het Vestrahorn strand

 

Ik had me weer enorm verheugd op het weerzien met de weerspiegeling van berg Vestrahorn in Zuid-IJsland. Slechts sporadisch, wanneer de wind een opening in het wolkendek wist te blazen, durfde de zon voorzichtig, met een paar stralen, voor heel eventjes, het zwarte zand van het immense strand te beroeren.

Terwijl ik de auto over het zandpad voorzichtig naar de parkeerplaats manoeuvreerde keek ik met een hunkerende blik naar links waar weldra de spiegeling zichtbaar zou worden. Alleen harde wind zou nog roet in het eten kunnen gooien. Die gedachte was te voorbarig. Het compleet ontbreken van de spiegeling was ook een optie die ik niet had bedacht. We hadden enkel zicht op een enorm zwart strand, wat natuurlijk nog steeds prachtig was, maar voor mij toch wel een anticlimax was.

Zoeken naar alternatieven

Zonder de enorme spiegeling van de bergrug, bleef natuurlijk de vloedlijn nog over. De vloedlijn met zijn spierwitte schuimkoppen, welke een prachtig contrast vormen met het pekzwarte zand, die tezamen weer een mooie voorgrond neerleggen voor de immense bergrug staan garant voor een moment van respect voor de overweldigende natuur in dit oostelijke deel van IJsland.

Een stukje van die vloedlijn verwijderd lagen ontelbare kleine schelpjes, die met de wind mee zorgde voor het ontstaan van kleine zandduintjes. Plat op de grond liggend probeerde ik een compositie te maken van schelpjes en duintjes. De eerste foto die ik hiervan schoot was weliswaar leuk, maar daar hield het ook mee op, en in de fotografie ga ik niet voor “weliswaar leuk”.

Speurend naar elementen die de foto toch weer boeiend konden maken ontstond van het ene op het andere moment schaduw. En je weet het, geen schaduw zonder licht. Binnen vijf seconde ging mijn gevoel van mmm, naar wow!

Vinden van inspiratie

Mijn aandacht werd getrokken door een verweerde boomstam. Terwijl de lucht nog steeds meer naar oranje kleurde werd de stam plots een dankbaar onderwerp voor een aantal foto’s. Geen mooie foto zonder mooi licht.

 

Een stukje verderop zag ik een zandduin liggen, die nu werd gestreeld door het licht van de ondergaande zon. Ik spoedde mij naar het zandduintje in de hoop sneller bij het duintje te zijn, dan dat het zonlicht weer zou verdwijnen.

De zandduintjes van soms meer dan een meter hoog, lagen hier maagdelijk, onberoerd door voetsporen aan mijn voeten. De laagstaande zon brak nu volledig door het wolkendek, en maakte de zwarte duintjes tot bergen van goud. Een moment van absolute schoonheid.

Een lang geluksgevoel

Ik keek om me heen. Een paar honderd meter achter mij stond een aantal mensen te kijken naar de vloedlijn. In de verte voor mij stond een handjevol mensen te kijken bij de plek waar je normaal gesproken de weerspiegeling moest kunnen zien, en ik? Ik had de zandduintjes met hun mooie licht helemaal voor mezelf. Een moment van natuurlijke perfectie. Het moment duurde totaal nog geen zeven minuten, mijn geluksgevoel veel langer.