Menu Sluiten

Meer Snæfellsnes gesnuffel

To go where no man has gone before. Of in ieder geval deze man. Hoe vaak heb ik niet rondgelopen bij het kleine zwarte kerkje, “Búðakirkja.“ Het kerkje heb ik van alle kanten gefotografeerd. In zijn geheel, gedeeltelijk, half verscholen tussen lavastenen, achter hoog gras, en ik wandelde ook naar het strand, maar steeds keek ik ook naar Búðaklettur. Ik liep er nooit naar toe. Vandaag is de dag, ik trek mijn wandelschoenen aan, doe mijn regenjas aan en zet mijn eerste stappen. Na een aantal van die eerste stappen begint het zachtjes te regenen. Te zachtjes om me van mijn voornemen af te halen. Mijn gedachten beginnen al te malen, en zeggen tegen mij “hier ga je nog spijt van krijgen”.

Ik stap stevig door en na tien minuten stopt de regen die me zowel fysiek als mentaal nauwelijks heeft geraakt. Vanaf het kerkje ziet Búðaklettur er uit als een perfecte ronde bol die als een berg het landschap domineert. Misschien zou je niet eens beseffen dat deze ronde bol verantwoordelijk is voor het lavaveld dat hier 8000 jaar geleden ontstond.

Langzaam kom ik dichter bij de Búðaklettur. Eenmaal aan de voet van de berg besluit ik er ook maar omheen te lopen. Want fotografisch heb ik nog niet iets bijzonders kunnen vinden. Dat veranderd zodra ik aan de andere kant van de bol sta, want hier is de bol hol. Vanaf hier zie je duidelijk de krater. Een pad brengt me langzaam naar boven en geeft uitzicht op de Snæfellsjökull. Het is jammer, maar tegelijkertijd ook fijn dat zowat niemand de moeite neemt deze route te wandelen. Een gemis voor diegene die enkel voor het zwarte kerkje komen.

Een andere plek waar ik steeds weiger te stoppen is Djúpalónssandur. Een plek die vooral beroemd is vanwege een scheepswrak. Stel je daar niet te veel van voor. Het zijn enkel onherkenbaar stukken verroest metaal waaruit je zelfs met veel fantasie geen scheepswrak kunt halen. Het wordt pas boeiend wanneer je de moeite neemt het bijbehorende informatiebord te lezen. Een scheepsramp waarbij op 13 maart 1948, 14 bemanningsleden om het leven kwamen.

Ik loop met respect rondom de wrakstukken heen. In de branding staat de rots Kerling, een hoge pilaar waar mijn oog direct opvalt. Het is alsof de rest van de kust, het kiezelstrand en de mensen rondom me heen verdwijnen. Die pilaar, daar moet ik heen.

Even later zit ik op een rots en ben bezig met het maken van foto na foto, zoekend naar de juiste golf, de juiste compositie en de perfect bijbehorende sluitertijd om de perfecte foto te maken. Nou ja, perfectie bestaat niet. Maar het beste uit de situatie halen blijft altijd een optie. Het wachten is vooral op die ene brekende golf die op het juiste punt in mijn compositie moet verschijnen. De ene keer is de positie juist, maar breekt hij met veel schuim, de andere keer breekt hij mooi, maar past hij niet binnen de compositie. Geduld is hier een schone zaak. Wachtend op die ene perfecte golf zie ik mensen komen en zie ik mensen gaan. Ik kan me een beetje voorstellen wat ze denken over die zonderlinge fotograaf, zittend op de kiezels van het strand, kijkend door de camera. Ik hoor ze bijna denken, “die spoort niet”.

Maar voor mij is “The fool on the beach”, The fool on the hill.

But the fool on the hill,
Sees the sun going down.
And the eyes in his head
See the world spinning ‘round.

Het begint al wat later te worden. De wandeling naar Dritvik laat ik voor vandaag even zitten. Ik rijd door naar Hellissandur. Het is ook wel eens fijn om wat vroeg op de camping te staan.

 

Dan nog even dit

Bedankt voor het lezen van dit bericht. Als schrijver en fotograaf vind ik het belangrijk en fijn om wat feedback te krijgen. Al zijn het maar twee of drie woorden. Een like is natuurlijk al leuk, maar een paar woorden over hoe je het vond zijn een boost voor mijn motivatie om met plezier te blijven schrijven.
Alvast bedankt!


Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier

Snuffelen op Snæfellsnes

Omdat ik wat afspraken heb lopen rondom mijn expositie wil ik niet het hele land doorkruisen. Een mooie gelegenheid om Snæfellsnes dit keer niet in één dag te doen, maar gewoon de tijd te nemen. Ik ga op zoek naar rust, ruimte, plekken die ik al lang niet meer heb gezien, of door het grote publiek nog niet echt ontdekt zijn.

Hítardalur is zo´n plek. Rust, ruimte en nog niet echt ontdekt. Het gaat mij vooral om de rode kleuren in het gesteente die zo mooi afsteken tegen het groene mos. Het moet bijna vijfentwintig jaar geleden zijn geweest dat ik hier zelf was.

Het mooie aan IJsland is dat je vaak de goede verkeerde afslag neemt. Ook nu kan ik kiezen tussen links en rechts. De weg loopt dood bij een oude vervallen boerderij, die toch nog bewoond wordt. Maar de vervallen schuur met oude hooibalen ervoor is een prachtig onderwerp, en de goede verkeerde afslag heeft een mooi fotomoment opgeleverd. Ik rijd een paar kilometer terug en neem alsnog de afslag die ik had moeten nemen.

Het landschap waar ik doorheen rijd is verrassend mooi, maar het licht verrassend saai. Het landschap blijft boeien, en ik rijd er zo rustig als ik wil doorheen. Ik ben alleen op de wereld. Ik kan midden op de weg stoppen, kijken zolang ik wil, en ook al neem ik geen, of bijna geen foto´s ik geniet volop.

Wanneer ik aan het einde ben van deze route, is het weer zover omgeslagen dat een wandeling er niet inzit. Ik ben ver van de bewoonde wereld, en vind zelf dat ik hier best mag overnachten. Misschien is het licht morgenvroeg beter en heb ik meer fotomomenten. Ik sluit de camper, de gordijnen, mijn ogen en de dag.

Terug naar de hoofdweg

Het rustgevende geluid van wind, regen en hagel, het ongelijkmatige deinen van de camper heeft mijn nachtrust goed gedaan. Buiten de natuurgeluiden heb ik niets gehoord. De rest natuurlijk alleen in de korte momenten dat ik wakker werd, waarna ik weer heerlijk in slaap werd gewiegd.

De terugweg heeft bijna net zo´n slecht weer als de heenweg. Ik moet het houden bij korte fotomomenten en het voornemen hier terug te komen zodra het weer beter wordt. Aan de hoofdweg twijfel ik even. Links of rechts. Het wordt rechts, verder Snæfellsnes op. De wind, regen en hagel die mij een goede nachtrust gaven geven me nu hoofdbrekens. Heeft het zin om verder te rijden. Een goed alternatief is af te slaan bij Gerðuberg. Wachten op mooi licht onder het genot van een kop koffie en mijn opengeslagen laptop. Het mooie licht laat op zich wachten, en aan het einde van de dag moet ik mij gewonnen geven. Ik rijd een paar kilometer terug naar de camping bij Snorrastaðir.

 

Dan nog even dit

Bedankt voor het lezen van dit bericht. Als schrijver en fotograaf vind ik het belangrijk en fijn om wat feedback te krijgen. Al zijn het maar twee of drie woorden. Een like is natuurlijk al leuk, maar een paar woorden over hoe je het vond zijn een boost voor mijn motivatie om met plezier te blijven schrijven.
Alvast bedankt!


Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier

De expositie in Akranes

De foto´s voor mijn expositie in de grote vuurtoren van Akranes hebben de hele route stevig ingepakt in een kist en voorzien van bubbeltjesplastic achter de bestuurderstoel gestaan. Ik heb al veel wasbord wegen gereden, en de camper is behoorlijk door elkaar geschud. Geloof me dat ik onderweg verschillende keren inwendig heb gevloekt als ik weer eens door een kuil ging. Het uitpakken van de foto´s is dan ook een spannend moment. Vijf pakketjes met ieder vier foto´s, twintig in totaal.

De opluchting is groot wanneer ik het eerste pakket open en er geen krasje op de foto´s te bekennen is. Ik verdeel de foto´s over twee verdiepingen en in de thuis bedachte volgorde. Met een meetlint bepaal ik de afstand en de hoogte van de afbeeldingen.

Wanneer alles hangt kijk ik tevreden naar het resultaat. Tevreden is relatief, het is nu echt, en wat echt is, is ook spannend. Hoe worden de beelden ontvangen?  Ik zal pas echt gerustgesteld zijn wanneer ik leuke reacties krijg.

Ik controleer nog meerdere keren of alle koortjes netjes zijn weggewerkt, en of alles goed vast zit. En toch, wanneer ik die avond in de camper zit, spookt het steeds door mijn hoofd dat wanneer ik morgen ga kijken alle foto´s op de grond zullen liggen.

De volgende ochtend is het eerste dat ik doe, – nog voordat de vuurtoren officieel opent – alles nogmaals controleren. Maar alles is in orde.

Ik opereer graag op de achtergrond. Zowel nieuwsgierig als zenuwachtig voor de reacties, hoor ik de eerste bezoekers binnenkomen. Ze komen niet voor mijn expositie, ze komen voor het uitzicht vanaf het dak, en lopen mijn expositie voorbij zonder het een blik waardig te gunnen. Je kunt het ze niet kwalijk nemen, het is zoals het is.

Dan hoor ik iemand achter mij zeggen “Are you Gerry?” Ik had niet verwacht herkend te worden, maar dit is al leuk. We praten een tijdje over de foto’s, en ik incasseer een voor een, en dankbaar alle mooie woorden die hij over mijn foto’s loslaat. Veel van de mensen die naar het dak zijn gesneld, komen nu naar beneden, en nemen nu de tijd om de panelen te bekijken. De man waarmee ik sprak bedankt mij voor de expositie, geeft me een hand en neemt afscheid. Terwijl hij de trap afloopt hoor ik nog een paar keer “ beautiful, beautiful”.

In de loop van de dag zijn er verschillende mensen die even een stoppen om een praatje te maken. Tegen de tijd dat de vuurtoren sluit, besluit ik dat het voor mij ook tijd is om te gaan. In IJsland valt zelfs voor mij nog steeds veel te ontdekken. Ik zal hier de komende maand nog wel verschillende keren langs komen, maar nu eerst op ontdekkingsreis.


Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier

De aantrekkings – kracht – van het water

Ik faal nog steeds in het vroeg naar bed gaan, en zet daarmee de voorzet voor het falen van het vroeg opstaan. Maar het wordt niet echt donker in de nacht. De uren die ik mis in de ochtend haal ik weer ruim in als de avond begint. Terwijl de meeste mensen hun plekje op de camping of in het hotel gevonden hebben ben ik nog onderweg. Ook nu ben ik pas weer laat op pad. Omdat het op de route ligt kan ik het niet laten om even te stoppen bij de Goðafoss.

Mijn mond valt open van verbazing. Het is druk. En niet een beetje druk, maar gewoon vol. Ik loop naar de waterval, en zie dan dat veel van de aanwezigen een stikkertje met nummer op hun kleding hebben. Dit keer lopen er mensen met nummers tussen 20 en 25 rond. Wel handig, dan weten ze bij welke groep ze horen, al zullen enkele alsnog verdwalen of gaan twijfelen. Het pad ligt vol met labeltjes varierend tussen 20 en 25. Ik loop eerst even naar het laagste punt. Ik kijk liever op dan neer op een waterval. Ik sta zelfs graag in de nevel van een waterval, behalve als ik hem wil fotograferen. Dan mag die nevel even de andere kant in afslaan.

Wanneer ik klaar ben aan de voet van de waterval loop ik toch maar even naar het achterste uitkijkpunt. Ik heb een hekel aan die betonnen paden in de natuur. Het haalt toch een deel van de beleving weg.

Dan zie ik een oudere man met een rolstoel, een iets minder oude vrouw met een scootmobiel, en een man die ondersteund wordt door een jonger persoon snap ik dat het voor deze category mensen een zegen moet zijn dat ze niet over een ongelijk zandpad hoeven.

Ik heb nog steeds een hekel aan die betonnen banen, maar voor deze mensen is het een uitkomst.

Een vrouw in een rolstoel met de meest fleurige kleding die ik ooit zag, baant zich voortgedreven door een soort mini scootmobiel door de drukte. De kleuren van haar kleding gaan bijna naadloos over in haar haar. Het is een prachtige verschijning, de vrolijke noot van het gezelschap. Even overweeg ik te vragen of ik een foto mag maken. Ik doe het niet, misschien zou ze het een compliment vinden, maar misschien wil ze ondanks haar kleurrijke uitdossing opgaan in de grijze massa. Ik kijk, ik geniet, maar maak ook geen stiekeme foto. Ik zal me deze verschijning gewoon moeten herinneren.

Van de kleurrijke vrouw ga ik over naar de kleur van het water. Het was me natuurlijk wel eerder opgevallen, maar het water is redelijk blauw van kleur. Dat maakt me weer gelukkig omdat ik verwacht dat de stroomopwaarts gelegen Aldeyjarfoss ook blauw zal zijn.

Bij de Aldeyjarfoss

Dat valt dan weer wat tegen. Het watergeweld is gigantisch, maar de kleur is grijs bruin. En er is ook zoiets als een overdaad aan water. Bij de Aldeyjarfoss is er een ideale hoeveelheid water voor het maken van een foto die alles heeft. Bij de juiste hoeveelheid water in combinatie met de juiste techniek kun je een golfpatroon ontdekken in het uitwaaiende water. Ik geniet nog steeds van de schoonheid van de waterval, want volgens mij is dit de mooiste, of in ieder geval meest tot de verbeelding sprekende waterval. Ik fotografeer, ik observeer en raak in een soort trance van het vallende water. Waarschijnlijk zal iedereen dat wel eens doen, een deel van het water proberen te volgen in de onvermijdelijke weg naar beneden. En dan weer en weer. Mijn advies als je dat doet, ga eerst even zitten, want enige duizeligheid is bij deze manier van kijken onvermijdelijk. Misschien lijkt het meer op een soort beginnende aangeschoten gevoel.

Na de Aldeyjarfoss heb ik nog een waterval die ik dit keer graag ga bekijken.De Hrafnabjargafoss. Even later sta ik op het ideale punt op de waterval te fotograferen. Het zou in ieder geval het ideale punt kunnen zijn, waren het niet dat het vrijwel onmogelijk is een foto te maken zonder nevelspatten op de lens te krijgen. Nou ja, het lukt bijna, en daar moet ik het dan mee doen. Gelukkig is het lang licht, zolang dat ik de tijd vergeet. Als ik bij de camper aankom moet ik nog koken en eten. De dichtstbijzijnde camping is nog een uur rijden. Ik maak de afweging, blijven staan of naar een camping rijden. Ik blijf staan, al heb ik het vermoeden dat ik dat eigenlijk al wist. Ik blijf nog lang de wolken in de gaten houden in de hoop dat het licht nog interessant wordt. Ik kijk op de klok… Misschien morgen. Ik doe de gordijnen dicht en kruip het bed in.

 


Dan nog even dit

Bedankt voor het lezen van dit bericht. Als schrijver en fotograaf vind ik het belangrijk en fijn om wat feedback te krijgen. Al zijn het maar twee of drie woorden. Een like is natuurlijk al leuk, maar een paar woorden over hoe je het vond zijn een boost voor mijn motivatie om met plezier te blijven schrijven.
Alvast bedankt!


Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier

Keuzestress en twijfel

In de ochtend rijd ik in de richting van Húsavík. Lang blijf ik twijfelen waar ik zal afslaan, de twee kandidaten zijn Skeifarfoss en Gatanöf. Een waterval of een rotspunt. Fotografisch vind ik beide interessant. Het is de lucht die de doorslag geeft. Het is geen watervallen, maar rotspunten licht. De twijfel gaat over in een vastberadenheid in het voordeel van Gatanöf.

Ik heb moeite met het vinden van de afslag, zodat ik die voorbijrijd. Ik controleer mijn navigatie, maar wordt daar niet wijzer van. Mijn ogen speuren over de weg voor een glimp van herkenning, maar niets zet mij op het juiste spoor. In mijn ooghoek zie ik in de verte een rood autootje wegrijden van een parkeerplaats. Die parkeerplaats was er vorige keer nog niet, of hij is me niet opgevallen. Ik volg met mijn ogen het rode autootje en kijk waar hij terug de weg op komt. Even later rijd ik zijn route in omgekeerde richting. Te zien aan de borden en de richtingaanwijzers is deze route en parkeerplek niet lang geleden aangelegd.

Ik pak mijn rugzak, en hoop dat er hoog water bij Gatanöf zal zijn. Ik kan dat al zien op de app, maar dat heeft geen zin. Ik ben er nu, en moet het gewoon doen met de situatie die ik zal aantreffen. Als het laag tij is, ga ik toch geen zes uur wachten op hoog water.

Het zit me niet mee, in die zin dat het eb is, maar is het niet al gewoon geweldig dat ik hier kan zijn in de rust en stilte van een stukje minder bekend IJsland. Ik ben alleen met slechts het ruisen van de wind, het geluid van het water dat zachtjes op en neer wiegt, en het zachte gekwetter van de vogels. En even, heel even kan ik horen wat er via de omroepinstallatie van een van de walvisvaarders, wordt verteld. Vanaf hier lijkt de boot aan de andere zijde van het fjord te varen, maar dat zal wel gezichtsbedrog zijn. Het geluid verstomd zodra de wind een beetje aantrekt.

Als fotograaf probeer ik nieuwe invalshoeken te bedenken om de rots zo voordelig als mogelijk in beeld te krijgen. Maar de beelden die ik zag op de informatie borden zal ik niet kunnen evenaren. Het eerste beeld, de rots met daarbij het noorderlicht en de tweede waarbij de ondergaande zon precies door de opening zijn gouden gloed weet te sturen.

Tevreden met het best haalbare in het moment verlaat ik ontevreden de scene en ga op zoek naar een nieuwe uitdaging.

Het hete bronnen gebied Þeistareykir, stelt niet teleur, tenminste niet nadat ik het gevonden heb. Op GoogleEarth zag het er zo makkelijk uit, maar eenmaal op locatie ontdek ik al snel dat ik nog een stukje verder zal moeten rijden. Þeistareykir stelt niet teleur. Het is een hete bronnen gebied zonder betaald parkeren, zonder faciliteiten, een het eind van een slechte zandweg, en zonder druktes. Het gebied is nog redelijk ongerept. De enige sporen die je vindt zijn de sporen van de schapen. Gezien het aantal schapen valt het aantal sporen best mee. Hoeveel schapen het waren heb ik niet geteld, want ik wil nog even wakker blijven.

Onderweg terug naar Húsavík geniet ik van een wolkenpartij die de bergen flankeert, en in de verte langzaam richting de weg lijkt te glijden. Het wordt even een wedstrijdje. Blijf ik de wolken voor? De wolken winnen. Het uitzicht verdwijnt gelijk met het zicht op de weg. Mijn vader zou hebben gezegd dat de mist zo dik was dat je er je fiets tegen aan kon zetten. Mijn kilometer teller gaat terug naar een schamele 20 kilometer per uur, en zelfs dan moet ik me enorm concentreren om de auto binnen de lijnen te houden.

Vlak voor Húsavík besluit ik dat het voor vandaag weer genoeg is geweest, en tegen beter weten in rijd ik naar de camping. Al vanaf de hoofdweg weet ik dat dit niet mijn accommodatie voor de nacht zal zijn. Het is er druk erg druk. Nog steeds tegen beter weten in zet ik de auto stil, maar onbewust weet ik al dat ik hier niet ga blijven. De autodeur blijft dicht, de gordel blijft om. Ik zoek naar redenen om te blijven, maar kan er geen vinden. Er is geen ruimte, de lucht is gevuld met de lucht van barbecues, vanaf de voetbalvelden klinkt het doordringende geluid van hard weggeschopte voetballen. Niet van een wedstrijd, maar van een training, dus het knalt sneller achter elkaar dan de eerste vijf minuten van het oudejaarsvuurwerk. Net als ik denk dat dit niet de hele nacht door zal gaan hoor ik schreeuwende kinderen. Natuurlijk, die zijn op vakantie en natuurlijk uitgelaten. Kinderen zijn kinderen, maar laat ik nu helemaal dol zijn op stilte. Niet altijd hoor, maar wel wanneer ik zelf op vakantie ben.

Twintig kilometer verderop is nog een camping met de mooie naam Heiðarbær. Ik besluit daar mijn geluk te proberen. Gezien de drukte bij Húsavík kan ik me bijna niet voorstellen dat het hier rustig is, maar wanneer ik aankomt staan er slechts twee caravans. Ik vind een eenzaam plekje in een verre hoek van de camping.

 


Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier

Dezelfde plek, een ander gevoel

Ik ben dicht bij de afslag naar de Dettifoss. Dat is waarschijnlijk wat iedereen denkt wanneer ze aan het begin van wegnummer 864 staan. Eigenlijk is het de weg langs het mooiste deel van de Jökulsá á Fjöllum, met de watervallen Hafragilsfoss, Dettifoss, en Selfoss, en voor wie hem weet te vinden ook de Rettarfoss.

Wie hem weet te vinden geldt dit keer ook voor mij. Ik weet eigenlijk zeker dat ik de goede afslag heb genomen, maar begin halverwege te twijfelen. Bovendien is de weg erg slecht, en als er een tegenligger komt, zal één van de twee in zijn achteruit ongeveer vier kilometer terug moeten rijden. Ik draai om en rijd zo snel mogelijk uit angst op de terugweg die tegenligger te ontmoeten.

Opgelucht rijd ik verder naar het zuiden richting Hafragilsfoss. De waterval moet het niet hebben van zijn eigen schoonheid, maar het is meer een uitzicht punt vanwaar je de kloof kunt overzien. Bovendien is het hier altijd erg rustig; behalve vandaag.

Twee dames hebben een tafeltje neergezet waarop een gigantische schaal ligt. Ik denk eerst nog dat het studenten zijn, of wellicht geologen, want ze beginnen als gekken met een gigantische hamer op de schaal te rammen. Regelmatig stoppen ze even, voelen met de handen over de schaal, en geven elkaar enthousiast een dubbelle high five. Een stukje verderop staat een auto met daarop de naam van een internetsite. Nieuwsgierig lees ik op de site waarop staat dat door meteorietenstof te versmelten met de gong, deze gong in harmony met het universum komt.

Terwijl je in de wijde omgeving van de Hafragilsfoss gek wordt van het wilde gehamer op een stuk metaal – het lijkt alsof je met een twee pannendeksels hard tegen elkaar slaat – lees ik op hun site: Waar stilte spreekt, “worden deze poorten geboren”. Voor hen zal de stilte wel spreken, want in tegenstelling tot de vele mensen die hier van de natuur komen genieten en worden verjaagd door het oorverdovend kabaal, dragen ze zelf gehoorbescherming.

Ik ben dan ook blij wanneer ze een laatste dubbelle high five geven, en de gong nog een beetje gaan polijsten. Daar heeft niemand last van.

Bij de Dettifoss, onder het kabaal van het neerstortende water kom ik weer helemaal tot rust. Het is natuurlijk een vreemde gewaarwording, dat natuurlijke geluiden zoals het oorverdovende geluid van de Dettifoss, in tegenstelling tot de hamerslagen van daarnet totaal niet storen. Natuurlijk kan ik niet aan de Dettifoss voorbij zonder een paar foto’s te maken. Vandaag kijk ik vooral naar de mensen die zichtbaar onder de indruk, de waterval of fotografisch; in het geheugen, of beide opslaan.

De wandeling naar de Selfoss neem ik er met veel plezier bij. Het pad is niet echt uitnodigend, wat veel mensen afschrikt. In de verte bij de Selfoss zie ik dan ook slechts een handje vol mensen die bij de waterval staan te kijken. Voordat ik aankom lopen ze mij al tegemoet. Wanneer ik bij de waterval aankom, is hij even van mij alleen. En wow, als iemand mij nu zag staan zou hij of zij wellicht denken, “Hij legt de waterval of fotografisch in het geheugen, of beide vast”.

Ik heb de waterval ook nog nooit zo mooi gezien als vandaag. De nevel die de waterval bijna altijd omsluit verdwijnt netjes naar de overkant waardoor ik een vrij en een helder zicht heb. Het kan dan ook niet anders dan dat ik teveel foto’s maak. Maar ik maak niet alleen foto’s. ik kijk, ik geniet en ben verwonderd. Verwonderd om zoveel schoonheid die ik al vaker mocht zien, maar mij nog nooit zo diep onder de indruk bracht. Het is niet enkel de waterval die indruk maakt, het is het totale plaatje.

Ik verlaat de 864 waar ik erin kwam, en ga nog even kijken naar Karl og Kerling, twee rotspilaren langs dezelfde rivier. Eigenlijk ga ik voornamelijk hierheen voor de camping, maar die blijkt enkel toegankelijk voor tenten.

Voor de tweede keer in drie jaar tijd sta ik bij Karl og Kerling en verbaas me over deze twee gigantische pilaren. Heel even laat de zon de omgeving oplichten en zie ik de rode tinten aan de overkant van de rivier. Net genoeg tijd om het vast te leggen. Dan verdwijnt de zon achter de steeds dikker wordende wolken, en verdwijn ik richting een volgende overnachtingsplek.

 


Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier

Een mini ontdekkingsreis

Wanneer ik uit Vopnafjórður wegrijd is dat nog bijna in de volle zon. Ik ben onderweg naar het schiereiland Melrakkaslétta, kortweg ook Slétta genoemd. Het is een van de uithoeken van IJsland waar bijna niemand woont, en waarvoor de reiziger geen tijd wil vrijmaken. Omdat het nu op de route ligt, bezoek ik eerst de Heimskautsagerðid beter bekend als de Arctichenge bij Raufarhöfn. Wanneer je in de omgeving bent is het een mooie plek om even de benen te strekken. Als fotograaf vind ik het jammer dat er een paar bankjes omheen geplaatst zijn en het pad er naartoe voorzien is van verlichting. Hiermee wordt volgens mij het doel, iets wat is geïnspireerd op Stonehenge, toch wat minder authentiek, zover je van authenticiteit kunt spreken. Ik denk wel dat in de donkere dagen, en zodra het klaar is het een sfeervolle plek zal zijn waarbij de verlichting wel past.

Deze uithoek van IJsland heb ik gekozen om een bezoek te brengen aan Rauðinúpur. De vorige keer dat ik in deze omgeving was heb ik bewust gekozen hier niet heen te gaan. Het weer was niet uitnodigend, en de alternatieven klonken toen beter. Nu kan ik het niet laten om toch te gaan kijken naar deze twee staken, Sölvanöf en Karl. Ik heb even ruzie met mijn navigatie, maar dat los ik op door te kiezen voor kortste in plaats van snelste route. Van 77 naar 42 kilometer. Ik verruil hiervoor wel het asfalt voor gravel, maar de lege uitgestrektheid van het landschap trekt mij. Ik geniet van de rit waarbij het uitzicht wisselt tussen leegte en nog meer leegte. Heel af en toe zie ik in de verte en oude verlaten boerderij. Op zich een mooi onderwerp om me ooit fotografisch in te verdiepen, maar dat mag een andere fotograaf op zich nemen.

Ik ben bijna bij mijn bestemming wanneer ik op enige afstand een poort zie met een verbodsbordje waarvan ik op afstand nog niet kan lezen wat er op staat. Gelukkig is de poort niet gesloten, en het bordje geeft aan dat je niet harder wordt geacht te rijden dan 15 kilometer per uur. Daar kan ik me wel in vinden.

Wanneer ik uitstap om de poort te openen hoor ik als eerste het gekrijs van noordse sternen. Op enige hoogte hangen ze klaar om aan te vallen zodra ik te dicht bij hun nest kom. Deze Stern is de eerste van velen. Het wemelt hier van de sternen, en ik probeer er een sport van te maken ze in de aanval vast te leggen. Dat lukt niet altijd, want die beesten zijn razendsnel. Ik denk dat ik wel kan stellen “razend en snel”.

De weg loopt dood bij een boerderij en een parkeerplek. In de verte zie ik de pilaren al staan, en gretig als ik ben om ze te fotograferen zet ik er flink, zover het pad het toelaat, de pas er in.

Door de route verdwijnen de pilaren uit beeld, maar ik kan me eenvoudig richten op de oranje vuurtoren. Die zal vast op het uiterste puntje staan, het puntje waarvandaan ik als het goed is de rode pilaren kan zien staan.

Zodra de eerste pilaar in zicht komt kijk ik even verbaasd naar de bewoners van de eerste pilaar. Tientallen of misschien wel honderdtallen Jan-van-Genten zijn de bewoners op de top. En dan te bedenken dat ik vanmorgen nog met een beetje pijn in het hart de route naar de kolonie op het schiereiland Langanes vanwege het weer heb overgeslagen. De Jan-van-Genten lopen niet weg, dus ik begin met het maken van foto’s van de pilaren. Ik kijk naar de zijde waar de pilaar rood zou moeten zijn, maar die zijde is helemaal wit. Ik moet even goed kijken, maar onder aan de pilaar nestelen enkel honderden alken. En eerlijk gezegd, denk ik dat het witte van de pilaar mooier is dan het rode zou zijn geweest.

Dan wordt het toch even tijd voor de telelens om de Jan-van-Genten wat dichter bij te halen. In volle vlucht is wat lastig, daarvoor zitten ze te ver weg, en dat vind ik geen foto waard. Maar zoveel bij elkaar heeft toch wel wat.

Wanneer ik denk dat ik het wel gezien heb, kijk ik naar de vuurtoren. Oké, ze zijn bijzonder, en knalgeel, maar zo heb ik er al velen gezien. Toch loop ik er even dichter naar toe, al is het maar om vanaf hier ook de rotsen te fotograferen. Dan komt er weer een verrassing. Ongeveer tien meter onder mij zitten tientallen Papegaaiduikers. Ook Borgarfjörður Eystri heb ik overgelagen. Een te grote omweg voor iemand die zich geen vogelaar of vogelfotograaf wil noemen. Ik vind een vogelfoto pas geslaagd wanneer er iets bijzonders gebeurt. Ik zie dergelijke foto´s regelmatig, en daar kan ik echt van genieten, maar dat zijn meestal foto´s van fotografen die zich hebben verdiept in de vogelfotografie en het hebben van een enorme dosis geduld. En zelfs die vogelfotografen zijn volgens mij al blij als één op de duizend foto´s het niveau van illustratie voor een biologieboek ontstijgt. Niets dan respect voor deze fotografen die zo op kunnen gaan in hun passie, maar het is niet mijn passie.

Maar om dan hier op een onverwacht moment de papegaaiduikers te ontdekken maakt mij dan toch weer blij. Uiteraard maak ik weer teveel foto´s, maar geen duizend. Die bijzondere foto heb ik dan ook niet gemaakt.

Ik wandel weer terug naar de parkeerplaats die inmiddels redelijk vol begint te raken.Dat ligt niet aan het aantal wagens dat een plekje zoekt, maar heeft meer te maken met het formaat camper waarmee sommige mensen willen reizen. Ik geef het meteen toe, met die campers kom je op plekken waar ik toch eerst even achter mijn oren zou krabben. Maar het beperkt je tegelijkertijd ook om te komen op plekken waar ik wel kan komen. Gewoon omdat ze te groot en te zwaar zijn. Ik geloof dat het twee jaar geleden is dat een duitse reiziger met zo´n bakbeest drie dagen heeft moeten graven om zijn camper weer vlot te krijgen.

Tot opluchting -denk ik- van een van de chaufeurs verlaat ik de parkeerplek, en maak zo net voldoende ruimte voor een kolosale camper.

Voordat ik naar een camping ga zoeken heb ik nog één plekje voor mezelf tegoed. Vorige keer dat ik hier was, waren de lichtomstandigheden voor fotografie bedroevend. Met veel kunst en vliegwerk maakte ik toen nog een redelijke foto van enkel bijzondere rotsen bij Kópasker beach. Het licht is nu een stuk vriendelijker. Na een half uur houd ik dit stuk strand voor gezien. Terwijl de vorige keer de lichtomstandigheden bedroevend waren, was ik blijer met de uiteindelijke resultaten. Een bijna blauwe lucht is mooi voor de ansichtkaarten, maar niet voor boeiende foto‘s.

Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier

Sculpturen en procenten

Ik sta aan de voet van weg 917. Ik heb zojuist de wandeling naar de Kerr kliffs zien stranden. Het te volgen pad eindigt al na 20 meter in een kniediepe doorwading door snel stromend water. Ik heb daar geen zin in, het ultieme doel van de rit naar de 917 was Þerribjörg. Een kleurrijke berg met grillige vormen aan een baai. Het voorbehoud was de status van de afslag. Als die niet te doen is, moet ik tien kilometer bij de wandeling optellen.

Waar de 917 aan zijn klim begint staan waarschuwingsborden. Hellingen van 15%. Om niet teveel te hoeven schakelen zet ik de versnelling meteen in de lage gearing. Daarmee heeft de motor voldoende kracht om, zei het traag, iedere helling te kunnen nemen.

Ik win al snel hoogte. Er zijn voldoende stukken op de route waar je enkel kunt hopen dat er geen tegenligger op je pad komt. Niet alleen is de weg slechts anderhalve auto breed, maar er is ook geen vangrail. Ik maak snel hoogte, en sta al snel bij de afslag naar Þerribjörg. Als ik al het idee had dat de 917 slecht was, dan is deze afslag de hel, zei het dat die weg niet naar beneden maar naar boven leidt.

Ik hoef de weg maar een klein stukje met mijn ogen te volgen om tot de conclusie te komen dat mijn camper hier niet voor is gebouwd. Ik rijd verder over de 917 die na een tijdje overgaat in een daling waar ik dan weer als een berg tegenop zie.

14% lijkt niet veel, maar in combinatie met gravel, de haarspeldbochten en de meedogenloze diepte meteen langs de weg maken het op zichzelf een adrenaline aanmakende ervaring. Op de momenten dat het erg spannend wordt probeer ik mezelf ook te vertellen dat de route ook erg mooi is. Genieten met een hartslag van 150 kan gewoon ook.

Op een smal stuk rijd ik langs een sneeuwval van wel vier meter hoog. Ik overweeg even te stoppen, maar laat het bij een overweging. Je zult zien dat wanneer ik uitstap, de handrem het begeeft, door de schok de auto uit de versnelling schiet, en vervolgens zijn eigen route naar beneden gaat nemen. Ik kijk, ik wik, weeg, en rijd door.

De route naar beneden gaat prima. Lage gearing, derde versnelling, en de auto glijdt met een vaartje van 30 kilometer per uur naar beneden. Wellicht is die snelheid iets te laag. Mijn niet zo snuggere smart watch feliciteert mij namelijk met mijn fietstochtje. Goed bezig staat er op het display.

Na een paar kilometer te hebben gereden op een gewone vlakke weg, zie ik een stukje uit de kust: Ljósastapi Fillinn. Vrij vertaald „Het veulen van de lichtrots“, maar blijkbaar wordt hij in de volksmond „Olifantenrots“ genoemd. Al denk ik niet dat het dan om de IJslandse volksmond gaat. Mijn creatieve proces begint met Wow mooi, vervolgens, ik zie het niet, en dan het eureka moment waarop mijn camera mag vastleggen wat ik zie.

De hele kustlijn bestaat hier uit prachtige sculpturen die zijn vormgegeven door de natuur. Het is een overdaad aan schoonheid, die na korte tijd gewoon wordt, en daarna fotografisch minder interessant. Dat ligt niet aan de rotsen, maar ik bereik een verzadigingspunt.

Nog even stop ik bij de Gljúfursárfoss. Een mooie waterval in een diepe kloof, maar de zon schijnt, en op zich is dat mooi, maar de zon weet slechts een deel van de waterval in het zonnetje te zetten. Hierdoor worden fotografisch gezien de contrasten te groot, en wordt de foto meer een registratie dan dat ik er niets creatiefs mee ga doen.

 

Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier

Een nieuwe oude ervaring

De camper wiegt heen en weer door de razende wind die niet goed weet of hij aan de camper moet duwen of trekken. Voor mij is het een bijna zen moment. Het zachte schommelen werkt ontspannend, en het geraas van de wind onderdrukt ieder ander geluid. Het is verleidelijk om in bed te blijven liggen, maar alles in mij zegt dat het tijd wordt om mezelf in beweging te zetten.

Het geeft rust te weten dat ik niets hoef, maar het vereist daardoor net iets meer discipline om in beweging te komen. Ik controleer even het weerbericht. In het noorden, waar ik heen wil gaan, is er veel regen. In het zuiden een beetje regen, maar ook veel droge momenten. Ik spreek mezelf even streng toe, sla het dekbed opzij, en zet mijn eerste stap in deze dag. De thermometer vertelt me dat het iets meer is dan 11 graden. Eergisteren huiverde ik al bij 16 graden, en nu voelt 11 graden niet eens echt koud.

Een uurtje later verlaat ik de camping, en rijd richting het zuiden op zoek naar de Beljandifoss. Het is geen hele bijzondere waterval, maar wel één die ik nog niet eerder gezien heb, en door zijn ligging, redelijk uit de doorgaande routes verwacht ik ook geen drukte.

De wind die mij vannacht in een ontspannen ´zijn´ bracht, brengt me nu in een continue staat van paraatheid. Ook nu rukt en trekt hij aan de camper, maar op de weg is dat minder handig dan stationair op een camping.

Een paar kilometer voor Breiðdalsvík verlaat ik de doorgaande weg, waar het asfalt al snel plaats maakt voor gravel. Steeds dieper leidt de navigatie mij weg van de hoofdweg, zelfs zover dat ik niet geloof dat ik nog goed zit. Twijfel maakt zich meester van mij, en wanneer de navigatie aangeeft dat ik er al ben, ben ik ook nog eigenwijs genoeg om hem te negeren en door te rijden. ´Hier is niets, dus ik moet vast nog wat verder doorrijden´.

Na ongeveer vier kilometer verder door te hebben gereden, waarbij ik nog steeds niets zie wat op een waterval zou kunnen wijzen, kijk ik nog eens goed op de kaart. Ik was ervan uitgegaan dat de waterval vanuit de bergen zou komen, maar nu ik nog eens goed op de kaart kijk, realiseer ik me, dat ik het bij het verkeerde eind had. De waterval ligt meer op het vlakkere deel. Ik keer de auto, en rijd terug naar de plek waar mijn navigatie de eerste keer al aangaf waar ik moest stoppen.

Na weer eens vier kilometer parkeer ik de camper. De kaart geeft nu aan dat ik nog ongeveer anderhalve kilometer mag wandelen. De wind is nog steeds stevig. Ik begin aan de wandeling, en laat de camper alleen achter met de wind als zijn speelkameraad, al kan ik misschien beter spreken over zijn danspartner waarbij de wind leidt.

Ik trek de capuchon van mijn jas over mijn hoofd, en trek de koortjes strak aan. De zonnebril is ook geen overbodige luxe. Tegen de wind in is zelfs iedere ademhaling een uitdaging. Zodra ik mijn mond open lijkt het alsof de wind alle lucht uit mijn longen wil zuigen.

De waterval is ongeveer vier meter hoog, en als ik bij de voet van de waterval aankom bevind ik me in een relatieve beschutting van de wind. Het waait nog steeds, maar de capuchon kan af, en ook de zonnebril verdwijnt in mijn zakken. De waterval zelf is voor IJslandse begrippen niet spectaculair te noemen, maar door zijn ligging, met in de achtergrond besneeuwde bergtoppen, wint de setting het van het spektakel.

Ik kijk om me heen, en besef dan dat ik hier helemaal alleen ben. Het IJslandgevoel dat ik twintig jaar geleden had, komt weer terug. Het idee dat je alleen op de wereld bent, dat deze waterval even van mij is, en dat ik hem met niemand hoef te delen. Niet iedereen zal dat begrijpen. Wie vindt het nu heerlijk om alleen te zijn? Ik zou iedereen deze ervaring willen gunnen.

Niet altijd, niet iedere dag, maar soms leer je jezelf beter kennen wanneer je helemaal op jezelf bent teruggeworpen.

 

Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Alleen, maar niet eenzaam

Onderweg naar IJsland – 2026

De tijd verstrijkt langzaam. Ik doe een spelletje op mijn telefoon, kijk een gedownloade Netflix-film, en geef toe aan de slaap waar ik blijkbaar al lang aan toe was. Komt het door het zachtjes wiegen van de boot, de warmte in mijn hut, de verveling die me loom maakt? Of gewoon de suikerinname, want de verveling laat me steeds weer een nieuwe toffee pakken. Erg zoet en erg zacht. Zodra de toffee op mijn tong ligt, valt hij uiteen in zachte chocolade die de karamel omhult. De karamel en de chocolade bieden mijn smaakpapillen een paar seconden overwerk waarna ze bijna vloeibaar in mijn slokdarm verdwijnen. Mijn smaakpapillen komen meteen in een staat van opperste verwarring en vragen zich af waar die sensatie van net gebleven is. Mijn onderbewustzijn helpt door een volgende toffee op mijn tong te leggen, mijn lichaam in verwarring brengend over een weeïg gevoel dat zich meester van mij maakt en aangeeft dat het wel genoeg is geweest.

Steeds wanneer ik mijn hut binnenloop, voelt het even fris. Die frisheid is relatief. Het is slechts frisser dan op de gang. Na een tijdje voelt die frisheid drukkend en kan ik niet anders dan de hut verlaten en een wandelingetje maken door de lange gang met blauwe vloerbedekking en veel deuren. Allemaal hutten met mensen die ieder hun eigen verhaal hebben. De vierpersoons hutten, het zijn verblijven voor een paar dagen, toch prijs ik mezelf gelukkig dat ik zo’n hut voor mezelf heb. De bovenste stapelbedden zitten opgeklapt tegen de wand waardoor je toch een beetje de illusie van ruimte hebt. Een klein bureautje met een krukje en een klein tafeltje tussen de onderste bedden. Een douche en een toilet, allemaal functioneel, misschien zelfs enigszins knus. Een poster van een gele dwergstrandloper is de enige versiering in de kamer.

Ik loop over de gang en ga van de zevende naar de vijfde verdieping. Er is een winkeltje met te dure spullen en wat souvenirs, maar ook toffees. Langs het winkeltje een aantal tafeltjes met wat luxere stoelen. Hoewel ze plaats bieden aan vier of meer personen lijken ze stuk voor stuk geclaimd door enkelingen, en soms een duo. Tassen worden gebruikt om het territorium af te bakenen. Soms ligt een enkeling door het ontbreken van een tas breeduit over een bank om het territorium te claimen. Twee mannen zitten breed uit op de banken, met twee aangebroken sixpacks tussen hen in om aan te geven dat dit hun hoekje is. De twee sixpacks geven duidelijk aan dat dit duo geen prijs stelt op een extra passagier. Niet dat ik hun dronkenmansgelul zou willen aanhoren. De nutteloze bandana om hun hoofd moet naast de sixpack waarschijnlijk een soort verbondenheid aangeven, al zal ik nooit begrijpen waarom iemand in een binnenruimte een bandana of petje zou willen dragen. Het zal wel iets te maken hebben met het imago dat ze hiermee denken uit te stralen.

Een stukje verderop loop ik een van de restaurants van het schip binnen. Een dertigtal, misschien wel een veertigtal mensen vult de tafeltjes. Een enkel stel heeft een stok kaarten bij zich en speelt in stilte, sommigen lezen een boek, maar de meesten zitten verdiept in hun mobiele telefoon. Het mooiste zijn de stellen waarvan één verdiept is in de telefoon, en de partner apathisch naar buiten kijkt naar de klotsende zee en de voorbijdrijvende wolken. Buitenom wandel ik naar de Laterna Magica-bar. Van buiten zie ik eigenlijk hetzelfde tafereel: mensen die verveeld en apathisch naar buiten kijken.

Ik loop de bar binnen. In de hoek van de ruimte op een te klein podium zit een muzikant zijn zuiverste noten te zingen. Noten die hij begeleidt met zijn gitaar. Eerlijk gezegd, het klinkt best goed, maar voor de aanwezigen niet genoeg om ook maar enige aandacht te krijgen. Ook in deze bar is iedereen druk bezig met niets doen. Blik op leeg. Als ik binnen kom, is er niet één hoofd dat even in mijn richting beweegt. Ik kijk altijd rond wanneer ik ergens binnen kom, kijkend of er een moment van oogcontact volgt, maar hier gebeurt helemaal niets. De barman die bezig is de bar te poetsen kijkt even op, knikt vriendelijk en gaat verder met poetsen. De bovenzijde van de bar is versierd met afbeeldingen van oude Faeröerse postzegels, ik neem de afbeeldingen in mij op en denk aan de IJslandse postzegels waarmee ik thuis bezig ben.

Ik kijk nog even naar het tafereel van de afwezige aanwezigen. Het voelt eenzaam, en ik besluit terug te gaan naar mijn hut waar ik net zoveel gezelschap heb als hier, tussen de mensen. Alleen in de hut voel ik me niet eenzaam, slechts alleen. En dat is prima.