Menu Sluiten

Een mini ontdekkingsreis

Wanneer ik uit Vopnafjórður wegrijd is dat nog bijna in de volle zon. Ik ben onderweg naar het schiereiland Melrakkaslétta, kortweg ook Slétta genoemd. Het is een van de uithoeken van IJsland waar bijna niemand woont, en waarvoor de reiziger geen tijd wil vrijmaken. Omdat het nu op de route ligt, bezoek ik eerst de Heimskautsagerðid beter bekend als de Arctichenge bij Raufarhöfn. Wanneer je in de omgeving bent is het een mooie plek om even de benen te strekken. Als fotograaf vind ik het jammer dat er een paar bankjes omheen geplaatst zijn en het pad er naartoe voorzien is van verlichting. Hiermee wordt volgens mij het doel, iets wat is geïnspireerd op Stonehenge, toch wat minder authentiek, zover je van authenticiteit kunt spreken. Ik denk wel dat in de donkere dagen, en zodra het klaar is het een sfeervolle plek zal zijn waarbij de verlichting wel past.

Deze uithoek van IJsland heb ik gekozen om een bezoek te brengen aan Rauðinúpur. De vorige keer dat ik in deze omgeving was heb ik bewust gekozen hier niet heen te gaan. Het weer was niet uitnodigend, en de alternatieven klonken toen beter. Nu kan ik het niet laten om toch te gaan kijken naar deze twee staken, Sölvanöf en Karl. Ik heb even ruzie met mijn navigatie, maar dat los ik op door te kiezen voor kortste in plaats van snelste route. Van 77 naar 42 kilometer. Ik verruil hiervoor wel het asfalt voor gravel, maar de lege uitgestrektheid van het landschap trekt mij. Ik geniet van de rit waarbij het uitzicht wisselt tussen leegte en nog meer leegte. Heel af en toe zie ik in de verte en oude verlaten boerderij. Op zich een mooi onderwerp om me ooit fotografisch in te verdiepen, maar dat mag een andere fotograaf op zich nemen.

Ik ben bijna bij mijn bestemming wanneer ik op enige afstand een poort zie met een verbodsbordje waarvan ik op afstand nog niet kan lezen wat er op staat. Gelukkig is de poort niet gesloten, en het bordje geeft aan dat je niet harder wordt geacht te rijden dan 15 kilometer per uur. Daar kan ik me wel in vinden.

Wanneer ik uitstap om de poort te openen hoor ik als eerste het gekrijs van noordse sternen. Op enige hoogte hangen ze klaar om aan te vallen zodra ik te dicht bij hun nest kom. Deze Stern is de eerste van velen. Het wemelt hier van de sternen, en ik probeer er een sport van te maken ze in de aanval vast te leggen. Dat lukt niet altijd, want die beesten zijn razendsnel. Ik denk dat ik wel kan stellen “razend en snel”.

De weg loopt dood bij een boerderij en een parkeerplek. In de verte zie ik de pilaren al staan, en gretig als ik ben om ze te fotograferen zet ik er flink, zover het pad het toelaat, de pas er in.

Door de route verdwijnen de pilaren uit beeld, maar ik kan me eenvoudig richten op de oranje vuurtoren. Die zal vast op het uiterste puntje staan, het puntje waarvandaan ik als het goed is de rode pilaren kan zien staan.

Zodra de eerste pilaar in zicht komt kijk ik even verbaasd naar de bewoners van de eerste pilaar. Tientallen of misschien wel honderdtallen Jan-van-Genten zijn de bewoners op de top. En dan te bedenken dat ik vanmorgen nog met een beetje pijn in het hart de route naar de kolonie op het schiereiland Langanes vanwege het weer heb overgeslagen. De Jan-van-Genten lopen niet weg, dus ik begin met het maken van foto’s van de pilaren. Ik kijk naar de zijde waar de pilaar rood zou moeten zijn, maar die zijde is helemaal wit. Ik moet even goed kijken, maar onder aan de pilaar nestelen enkel honderden alken. En eerlijk gezegd, denk ik dat het witte van de pilaar mooier is dan het rode zou zijn geweest.

Dan wordt het toch even tijd voor de telelens om de Jan-van-Genten wat dichter bij te halen. In volle vlucht is wat lastig, daarvoor zitten ze te ver weg, en dat vind ik geen foto waard. Maar zoveel bij elkaar heeft toch wel wat.

Wanneer ik denk dat ik het wel gezien heb, kijk ik naar de vuurtoren. Oké, ze zijn bijzonder, en knalgeel, maar zo heb ik er al velen gezien. Toch loop ik er even dichter naar toe, al is het maar om vanaf hier ook de rotsen te fotograferen. Dan komt er weer een verrassing. Ongeveer tien meter onder mij zitten tientallen Papegaaiduikers. Ook Borgarfjörður Eystri heb ik overgelagen. Een te grote omweg voor iemand die zich geen vogelaar of vogelfotograaf wil noemen. Ik vind een vogelfoto pas geslaagd wanneer er iets bijzonders gebeurt. Ik zie dergelijke foto´s regelmatig, en daar kan ik echt van genieten, maar dat zijn meestal foto´s van fotografen die zich hebben verdiept in de vogelfotografie en het hebben van een enorme dosis geduld. En zelfs die vogelfotografen zijn volgens mij al blij als één op de duizend foto´s het niveau van illustratie voor een biologieboek ontstijgt. Niets dan respect voor deze fotografen die zo op kunnen gaan in hun passie, maar het is niet mijn passie.

Maar om dan hier op een onverwacht moment de papegaaiduikers te ontdekken maakt mij dan toch weer blij. Uiteraard maak ik weer teveel foto´s, maar geen duizend. Die bijzondere foto heb ik dan ook niet gemaakt.

Ik wandel weer terug naar de parkeerplaats die inmiddels redelijk vol begint te raken.Dat ligt niet aan het aantal wagens dat een plekje zoekt, maar heeft meer te maken met het formaat camper waarmee sommige mensen willen reizen. Ik geef het meteen toe, met die campers kom je op plekken waar ik toch eerst even achter mijn oren zou krabben. Maar het beperkt je tegelijkertijd ook om te komen op plekken waar ik wel kan komen. Gewoon omdat ze te groot en te zwaar zijn. Ik geloof dat het twee jaar geleden is dat een duitse reiziger met zo´n bakbeest drie dagen heeft moeten graven om zijn camper weer vlot te krijgen.

Tot opluchting -denk ik- van een van de chaufeurs verlaat ik de parkeerplek, en maak zo net voldoende ruimte voor een kolosale camper.

Voordat ik naar een camping ga zoeken heb ik nog één plekje voor mezelf tegoed. Vorige keer dat ik hier was, waren de lichtomstandigheden voor fotografie bedroevend. Met veel kunst en vliegwerk maakte ik toen nog een redelijke foto van enkel bijzondere rotsen bij Kópasker beach. Het licht is nu een stuk vriendelijker. Na een half uur houd ik dit stuk strand voor gezien. Terwijl de vorige keer de lichtomstandigheden bedroevend waren, was ik blijer met de uiteindelijke resultaten. Een bijna blauwe lucht is mooi voor de ansichtkaarten, maar niet voor boeiende foto‘s.

Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier