Menu Sluiten

Sculpturen en procenten

Ik sta aan de voet van weg 917. Ik heb zojuist de wandeling naar de Kerr kliffs zien stranden. Het te volgen pad eindigt al na 20 meter in een kniediepe doorwading door snel stromend water. Ik heb daar geen zin in, het ultieme doel van de rit naar de 917 was Þerribjörg. Een kleurrijke berg met grillige vormen aan een baai. Het voorbehoud was de status van de afslag. Als die niet te doen is, moet ik tien kilometer bij de wandeling optellen.

Waar de 917 aan zijn klim begint staan waarschuwingsborden. Hellingen van 15%. Om niet teveel te hoeven schakelen zet ik de versnelling meteen in de lage gearing. Daarmee heeft de motor voldoende kracht om, zei het traag, iedere helling te kunnen nemen.

Ik win al snel hoogte. Er zijn voldoende stukken op de route waar je enkel kunt hopen dat er geen tegenligger op je pad komt. Niet alleen is de weg slechts anderhalve auto breed, maar er is ook geen vangrail. Ik maak snel hoogte, en sta al snel bij de afslag naar Þerribjörg. Als ik al het idee had dat de 917 slecht was, dan is deze afslag de hel, zei het dat die weg niet naar beneden maar naar boven leidt.

Ik hoef de weg maar een klein stukje met mijn ogen te volgen om tot de conclusie te komen dat mijn camper hier niet voor is gebouwd. Ik rijd verder over de 917 die na een tijdje overgaat in een daling waar ik dan weer als een berg tegenop zie.

14% lijkt niet veel, maar in combinatie met gravel, de haarspeldbochten en de meedogenloze diepte meteen langs de weg maken het op zichzelf een adrenaline aanmakende ervaring. Op de momenten dat het erg spannend wordt probeer ik mezelf ook te vertellen dat de route ook erg mooi is. Genieten met een hartslag van 150 kan gewoon ook.

Op een smal stuk rijd ik langs een sneeuwval van wel vier meter hoog. Ik overweeg even te stoppen, maar laat het bij een overweging. Je zult zien dat wanneer ik uitstap, de handrem het begeeft, door de schok de auto uit de versnelling schiet, en vervolgens zijn eigen route naar beneden gaat nemen. Ik kijk, ik wik, weeg, en rijd door.

De route naar beneden gaat prima. Lage gearing, derde versnelling, en de auto glijdt met een vaartje van 30 kilometer per uur naar beneden. Wellicht is die snelheid iets te laag. Mijn niet zo snuggere smart watch feliciteert mij namelijk met mijn fietstochtje. Goed bezig staat er op het display.

Na een paar kilometer te hebben gereden op een gewone vlakke weg, zie ik een stukje uit de kust: Ljósastapi Fillinn. Vrij vertaald „Het veulen van de lichtrots“, maar blijkbaar wordt hij in de volksmond „Olifantenrots“ genoemd. Al denk ik niet dat het dan om de IJslandse volksmond gaat. Mijn creatieve proces begint met Wow mooi, vervolgens, ik zie het niet, en dan het eureka moment waarop mijn camera mag vastleggen wat ik zie.

De hele kustlijn bestaat hier uit prachtige sculpturen die zijn vormgegeven door de natuur. Het is een overdaad aan schoonheid, die na korte tijd gewoon wordt, en daarna fotografisch minder interessant. Dat ligt niet aan de rotsen, maar ik bereik een verzadigingspunt.

Nog even stop ik bij de Gljúfursárfoss. Een mooie waterval in een diepe kloof, maar de zon schijnt, en op zich is dat mooi, maar de zon weet slechts een deel van de waterval in het zonnetje te zetten. Hierdoor worden fotografisch gezien de contrasten te groot, en wordt de foto meer een registratie dan dat ik er niets creatiefs mee ga doen.

 

Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier