Menu Sluiten

Naar de wonderbaarlijke Þakgil

We hadden wat mooie plannen voor Landmannalaugar, maar het weer is een spelbreker. Laaghangende bewolking, motregen en flinke windvlagen. We nemen de beslissing om naar þakgil te gaan. Een wonderbaarlijke vallei met een mooie niet al te lastige route er naar toe.

Het is een flink stuk rijden, maar wat later in de middag komen we aan bij de afslag en beginnen we aan de mooie route.

De seizoenen hebben de weg geen goed gedaan. Dit jaar lijkt een echt rampjaar voor de IJslandse gravelwegen te zijn geweest.We vorderen maar langzaam, maar met het huidige weer is dat niet zo erg. De regen gaat soms over in dichte mist en het is goed opletten om tussen de grote kuilen door te manoeuvreren. Er is zelfs een plek waar ik even moet uitstappen om te kijken of ik wel verder wil rijden. Diepe kuilen, en grote rotsen op een steil stuk omhoog. Vanuit de auto kan ik het niet goed zien. Natte ramen, zwarte wegen en een witte lucht. Het contrast is gewoon te groot. Ik loop een stukje over de weg, en zie dan dat het weliswaar slecht is, maar wel goed te rijden met onze camper.

Na deze hindernis gaat de rest vrijwel vanzelf, al is het wel nodig om extra allert te blijven op kuilen en gaten. Na een enigzins inspannende rit rijden we de vallei Þakgil in. De campingbeheerder is niet op zijn plaats, dus we zoeken een plekje op het doorweekte terrein om onze camper neer te zetten. Het regent dan nog steeds, deze dag beschouwen we dan maar als verloren, behalve de mooie inspannende route die we mochten rijden. Dat was het lichtpuntje van deze dag.

Þakgil, een volle camping, een handvol wandelaars

Terwijl ik denk dat het al heel erg druk is op de camping, blijven de auto‘s totdat het bijna donker is het terrein oprijden. Þakgil was voor mij altijd een oase van rust, een gevoel van eenzaamheid dat je deelt met een select groepje mensen dat hetzelfde kan waarderen. Het lijkt nu wel een hype te zijn om hier te overnachten. Het aantal kleine 4WD auto‘s met daktenten dat hier laat aankomt, vormt ongeveer 75% van de bezoekers. Het zijn ook de auto‘s die in de ochtend als eerste weer vertrekken en behalve de overnachting, volgens mij niets hebben meegekregen van de omgeving.

De hemel trekt open

In de ochtend regent het nog steeds, en we besluiten de regen even uit te zitten. Terwijl de camping langzaam leegloopt, trekt de lucht steeds verder open en kunnen we beginnen aan de wandeling naar de Remundargil. Ik heb mooie herinneringen aan deze wandeling die we drie jaar geleden ook maakten. Het weer is nu wel een stuk minder, maar het is niet zo‘n heel lange wandeling, en ik wil kijken of mijn voetblessure me die tijd kan blijven dragen. Voor de zekerheid neem ik wel twee wandelstokken mee.

Zodra je de vallei binnenloopt zit je in een andere wereld. Een wereld die bestaat uit pekzwart steen en heel veel verschillende kleuren groen. Mooi om te zien, lastig om met een foto over te brengen, maar ik ga de uitdaging aan. Hoe verder ik de kloof in kom, hoe meer ik besef dat we de vorige keer erg veel geluk hebben gehad. Door hogere waterstanden zijn sommige plaatsen een stuk moeilijker te wandelen. We moeten vaak het water doorsteken over stapstenen. Hier komen de wandelstokken goed van pas. Bij de grote waterval aan het eind van de kloof blijven we even stil staan. De vorige keer hadden we hier een prachtige blauwe lucht en een regenboog. Nu hebben we vooral veel water en een grijze lucht. Het is nu“anders mooi“.

Het is ruiger en woester, en ik bedenk me dat ik voorzichtiger moet zijn wanneer ik anderen adviseer hier te gaan kijken. Die adviezen wil ik nog verder aanpassen wanneer we staan te kijken en er een aantal stenen vlak langs ons neervallen. We zorgen dat we iets verder van de wanden van de kloof gaan wandelen, en gaan iets sneller de kloof uit dan eigenlijk onze planning was. Volgende keer een helm meenemen?

Uitwaaien wordt uitstormen

Wanneer we weer terug zijn aan het begin van de wandeling durf ik een tweede route ook nog wel aan. Deze route gaat naar een uitzichtspunt over een uitloper van de Mýrdalsjokull en het Mýrdalssandur. Aan het begin van de wandeling gaat alles nog oke. Mijn voeten werken goed mee, maar de wind werkt ons flink tegen. Hoe hoger we komen, hoe harder de wind probeert ons terug te blazen. We geven niet op, en lopen dapper door. De spieren in mijn benen beginnen zelfs te verzuren, maar daardoor lijkt de pijn in mijn voet wat naar de achtergrond te verdwijnen. Bij het laaste glibberige stukje moet ik de stokken erweer bij nemen, maar na een woeste strijd staan we op het uitzichtpunt.

Het is fenomenaal. Zo nu en dan komt de zon door. De zon laat het blauwe ijs dat tussen de met zwart zand bedekte uitlopers van de gletsjer een beetje oplichten waardoor een mooi contrast ontstaat. We nemen het uitzicht goed in ons op, en nemen kort de tijd om het ook met de camera of de telefoon vast te leggen. Onze kleding is niet voldoende opgewassen tegen de temperatuur die hier door de wind nog flink kouder aanvoelt. Als ik voorstel weer naar beneden te lopen is Ans het daar ook meteen mee eens. Het duurt even alvorens we weer in de luwte van de berg komen en we weer langzaam opwarmen.

We gaan terug naar de camping, waar tot het donker weer veel campers blijven binnen rijden. Rond 23:00, als het al wat donker is, keert toch de rust op de camping terug, en vallen we in een diepe welverdiende slaap.

Wandeling naar de huldufoss

Mijn voet blijft me parten spelen. Ik kan wel stukken wandelen, maar na ongeveer vijf kilometer is de rek er dan wel uit en begint de pijn langzaam op te zetten. Die pijn wordt vervolgens steeds erger. Langaam lopen, af en toe rusten en op de tanden bijten.

Het is wel de reden waarom we besluiten de wandeling naar de Huldufoss niet te gaan doen. Dat is 14 kilometer heen en terug.

Duivelsrots of wolfsrots

Zodra de zon de toppen van de Djöflarokk in Þakgil raakt gaan we wel even de vallei in om de markante rotspunt te fotograferen. Aan het begin van de vallei zie je de rots als een vast element van de rotswand. Pas wanneer je dichter bij komt laat Djöflarokk de rotswand los, en als alle elementen dan samenkomen lijkt het alsof er horens uit zijn toppen groeien. De rots heeft geen naam zover ik weet, dus ik doopte hem zelf Djöfjlarokk wat Duivelsrots betekend.

Ik klauter naar “het” standpunt. Ik houd niet van “het” standpunt, want dat beperkt in je creativiteit. Dit is een uitzondering, want tenzij het licht me elders stuurt is dit het beste punt vanwaar je de rots fotografeert. Er komen zelfs volgeladen tourbussen hier die ruim 30 kilometer over slechte wegen willen rijden om hun gasten deze rots te laten zien.

Even later lopen we terug naar de camper om ook 15 kilometer over die slechte weg te gaan rijden. We zitten al in de camper, klaar om te vertrekken als ik de campingbeheerder zie staan, en ik even een praatje met hem ga maken.

“Duivelsrots? Interessant. Ik snap je vergelijking. Ik noem het zelf altijd de wolfsrots. Die horens die jij ziet, zie ik als de kaken van een wolf die opengaat wanneer hij huilt naar de maan.”

En inderdaad, het is maar welke associatie het eerste bij je opkomt. Voor mij blijft het de duivelsrots. We hebben het ook over de route naar de Huldufoss. Ik leg hem mijn dilemma voor, want ik wil er zo graag naar toe. Eigenlijk wil ik gewoon gaan, en probeer ik mezelf te motiveren de 14 kilometer te gaan lopen. De heenweg, die 7 kilometer, die red ik wel. En de terugweg… Ik weet het dat wordt afzien. Ik hoor mezelf tegen de beheerder zeggen, och ik kan altijd omdraaien als het niet gaat, wetend dat ik dat echt niet ga doen.

We gaan ervoor

Ik loop terug naar de camper, kijk Ans aan en zeg, “kom we gaan wandelen.”

Even later zijn we op weg. Via een veel te steil pad lopen we omhoog, al zou je het op sommige stukken ook kruipen kunnen noemen. Het voordeel van het steile pad is  twee kilometer besparing op de wandeling, maar we weten nu al dat we op de terugweg de andere route moeten nemen. Hier komen we nooit naar beneden, tenminste niet zonder valpartijen.

Het eerste herkenningspunt is Hannibal. Het is een rots, lijkend op een olifant (vind ik) waar boven op een persoon lijkt te zitten. We lopen langs diepe valleien, tussen hoge bergen en schitterende uitzichten. We lopen in een scene van “The lord of the rings.” Spookjesachtig en luguber tegelijkertijd. Het is soms even wachten op die ene wolk die de zon de verkeerde kant in dirigeert, maar de beloning is groot. Na ongeveer 5 kilometer krijgen we de gletsjer Huldujökull in zicht. Een mooi punt om aan de terugweg te beginnen, maar ik wil te graag het uitzicht zien en lieg dus maar dat mijn voet het prima houdt. Ik kan nog wel even verder.

Mijn blik gaat op oneindig. Dit is niet het moment. Ik wil niet terug met de finish in zicht.

Nevel spat uiteen in een schitterend kleurenpallet

We nemen wel vaker korte pauzes, maar uiteindelijk staan we bij de kloof waar de Huldufoss zich vanaf de hoge rand Huldujökull naar beneden stort. Een stuk verderop maar dominant in zicht stort tegen een donkere rotswand een andere waterval vanuit de gletsjer naar beneden. Het geweld waarmee het water uit de gletsjer wordt geperst zorgt voor veel nevel. De nevel breekt het licht van de zon in alle kleuren van de regenboog. Het is een geweldige beloning die we krijgen voor onze inspanningen. Onderweg hebben we misschien tien mensen gezien. Het uitzicht zit ook niet helemaal op de route. Je bent snel geneigd de standaard route te volgen.

Op het hoogste punt van deze wandeling nemen we een lange pauze. In gedachte gaan we nog langer niet terug, totdat Ans zegt: “kijk eens naar die lucht achter ons.” Ik schrik van de donkere lucht die snel over de gletsjer trekt. We verwachten niet droog terug in Þakgil te komen, maar we gaan proberen de regen voor te blijven. We stappen flink door, maar worden door de donkere lucht ingehaald. Eerst verdwijnt de zon uit zicht, daarna wordt het snel kouder, zakt de bewolking naar beneden en lopen we plots in dichte mist. Even is het zicht zelfs minder dan twintig meter. Het pad is gelukkig goed te volgen.

Schitterende lichtmomenten

Waar we op de heenweg bezig waren langzaam te stijgen, dalen we nu af.. Na een uurtje komen we onder de mist vandaan en kunnen we weer wat om ons heen kijken. Het is verbazingwekkend, maar de gigantische wolk hangt precies boven ons. Aan alle randen, kilometers bij ons vandaan zien we blauwe lucht. Het is bijna surrealistisch, maar dan wel surrealistisch mooi. Het zonlicht zet steeds andere stukken van het landschap in een warm licht. De rest blijft grijs en donker. Een bijzonder landschap. Iedere stap is genieten.

Eigenlijk zijn de helft van de stappen genieten. De andere helft geeft steeds een stekende scherpe pijn. Het lopen wordt strompelen, en het helpt om af en toe even stil te gaan staan. De wandeling is zowel een kwelling als een onvergetelijke ervaring.

Als we terugkomen bij de camping boeken we nog maar een overnachting bij. Vandaag hebben we genoeg afgezien, en ik heb geen zin om 15 kilometer inspannende kilometers te gaan rijden. De beheerder van de camping biedt me meteen een ijspak aan wat ik maar wat graag aanneem. Even later, terwijl Ans zorgt voor het eten voel ik hoe het ijspak de pijn langzaam uit mijn voet lijkt te trekken.

 

Dan nog even dit

Bedankt voor het lezen van dit bericht. Als schrijver en fotograaf vind ik het belangrijk en fijn om wat feedback te krijgen. Al zijn het maar twee of drie woorden. Een like is natuurlijk al leuk, maar een paar woorden over hoe je het vond zijn een boost voor mijn motivatie om met plezier te blijven schrijven.
Alvast bedankt!


Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis

Bestel hier