In de ochtend rijd ik in de richting van Húsavík. Lang blijf ik twijfelen waar ik zal afslaan, de twee kandidaten zijn Skeifarfoss en Gatanöf. Een waterval of een rotspunt. Fotografisch vind ik beide interessant. Het is de lucht die de doorslag geeft. Het is geen watervallen, maar rotspunten licht. De twijfel gaat over in een vastberadenheid in het voordeel van Gatanöf.
Ik heb moeite met het vinden van de afslag, zodat ik die voorbijrijd. Ik controleer mijn navigatie, maar wordt daar niet wijzer van. Mijn ogen speuren over de weg voor een glimp van herkenning, maar niets zet mij op het juiste spoor. In mijn ooghoek zie ik in de verte een rood autootje wegrijden van een parkeerplaats. Die parkeerplaats was er vorige keer nog niet, of hij is me niet opgevallen. Ik volg met mijn ogen het rode autootje en kijk waar hij terug de weg op komt. Even later rijd ik zijn route in omgekeerde richting. Te zien aan de borden en de richtingaanwijzers is deze route en parkeerplek niet lang geleden aangelegd.
Ik pak mijn rugzak, en hoop dat er hoog water bij Gatanöf zal zijn. Ik kan dat al zien op de app, maar dat heeft geen zin. Ik ben er nu, en moet het gewoon doen met de situatie die ik zal aantreffen. Als het laag tij is, ga ik toch geen zes uur wachten op hoog water.

Het zit me niet mee, in die zin dat het eb is, maar is het niet al gewoon geweldig dat ik hier kan zijn in de rust en stilte van een stukje minder bekend IJsland. Ik ben alleen met slechts het ruisen van de wind, het geluid van het water dat zachtjes op en neer wiegt, en het zachte gekwetter van de vogels. En even, heel even kan ik horen wat er via de omroepinstallatie van een van de walvisvaarders, wordt verteld. Vanaf hier lijkt de boot aan de andere zijde van het fjord te varen, maar dat zal wel gezichtsbedrog zijn. Het geluid verstomd zodra de wind een beetje aantrekt.
Als fotograaf probeer ik nieuwe invalshoeken te bedenken om de rots zo voordelig als mogelijk in beeld te krijgen. Maar de beelden die ik zag op de informatie borden zal ik niet kunnen evenaren. Het eerste beeld, de rots met daarbij het noorderlicht en de tweede waarbij de ondergaande zon precies door de opening zijn gouden gloed weet te sturen.
Tevreden met het best haalbare in het moment verlaat ik ontevreden de scene en ga op zoek naar een nieuwe uitdaging.

Het hete bronnen gebied Þeistareykir, stelt niet teleur, tenminste niet nadat ik het gevonden heb. Op GoogleEarth zag het er zo makkelijk uit, maar eenmaal op locatie ontdek ik al snel dat ik nog een stukje verder zal moeten rijden. Þeistareykir stelt niet teleur. Het is een hete bronnen gebied zonder betaald parkeren, zonder faciliteiten, een het eind van een slechte zandweg, en zonder druktes. Het gebied is nog redelijk ongerept. De enige sporen die je vindt zijn de sporen van de schapen. Gezien het aantal schapen valt het aantal sporen best mee. Hoeveel schapen het waren heb ik niet geteld, want ik wil nog even wakker blijven.

Onderweg terug naar Húsavík geniet ik van een wolkenpartij die de bergen flankeert, en in de verte langzaam richting de weg lijkt te glijden. Het wordt even een wedstrijdje. Blijf ik de wolken voor? De wolken winnen. Het uitzicht verdwijnt gelijk met het zicht op de weg. Mijn vader zou hebben gezegd dat de mist zo dik was dat je er je fiets tegen aan kon zetten. Mijn kilometer teller gaat terug naar een schamele 20 kilometer per uur, en zelfs dan moet ik me enorm concentreren om de auto binnen de lijnen te houden.
Vlak voor Húsavík besluit ik dat het voor vandaag weer genoeg is geweest, en tegen beter weten in rijd ik naar de camping. Al vanaf de hoofdweg weet ik dat dit niet mijn accommodatie voor de nacht zal zijn. Het is er druk erg druk. Nog steeds tegen beter weten in zet ik de auto stil, maar onbewust weet ik al dat ik hier niet ga blijven. De autodeur blijft dicht, de gordel blijft om. Ik zoek naar redenen om te blijven, maar kan er geen vinden. Er is geen ruimte, de lucht is gevuld met de lucht van barbecues, vanaf de voetbalvelden klinkt het doordringende geluid van hard weggeschopte voetballen. Niet van een wedstrijd, maar van een training, dus het knalt sneller achter elkaar dan de eerste vijf minuten van het oudejaarsvuurwerk. Net als ik denk dat dit niet de hele nacht door zal gaan hoor ik schreeuwende kinderen. Natuurlijk, die zijn op vakantie en natuurlijk uitgelaten. Kinderen zijn kinderen, maar laat ik nu helemaal dol zijn op stilte. Niet altijd hoor, maar wel wanneer ik zelf op vakantie ben.
Twintig kilometer verderop is nog een camping met de mooie naam Heiðarbær. Ik besluit daar mijn geluk te proberen. Gezien de drukte bij Húsavík kan ik me bijna niet voorstellen dat het hier rustig is, maar wanneer ik aankomt staan er slechts twee caravans. Ik vind een eenzaam plekje in een verre hoek van de camping.

Lees ook de nieuwste publicatie van Gerry van Roosmalen:
In het spoor van het licht.
Een boek met overpeinzingen, inzichten en een schepje humor.
Waargebeurde verhalen langs een fictieve reis